donderdag 19 maart 2020


donderdag
19
maart


De scholen zijn dicht

We waren het bijna vergeten, dat de stad heel langzaam
stil kan worden, kan fluisteren: 'Blijf thuis vandaag.'
Dat je door thuis te blijven een nieuwe betekenis
van vrijheid kan vinden.
Dat een weekend zonder voetbal je relatie kan bevorderen.
Dat extra wc-papier je niet zal redden.
Dat quarantaines niet echt bestaan,
maar zijn verzonnen om te kunnen lezen.
Dat je leest om jezelf te vergeten.
Dat een zondagmiddag een hele week kan duren,
maar dat toch elke seconde telt.
Dat we kwetsbaar zijn,
dat dat ons sterk maakt.
Dat hulpverleners eigenlijk superhelden zijn.
Dat de wind een waarschuwing is van hartslagen
om te herstellen.
We waren het bijna vergeten, dat we bestaan in relatie,
dat we samen allemaal zijn.
Dat we even op afstand blijven,
zodat we heel langzaam
dichter tot elkaar kunnen groeien.


Gershwin Bonevacia
Stadsdichter van Amsterdam



dinsdag 17 maart 2020


dinsdag
17
maart


Een kind als dit



In deze zinsbegoochelende duisternis komt, over een pad
van gedoofd sterrengruis, barrevoets een heel klein jongetje
aangeschuifeld, zijn ogen half toegeknepen, zijn blik
slaperig en ongericht, de nachtwind strijkt haast liefdevol
door het geelblonde, licht krullende haar –

de kou heeft zijn minieme piemeltje verschrompeld
net als het scrotumpje daaronder,
waarin nog niets lijkt ingedaald

hoe manmoedig duwt hij zijn stroeve, driewielige looprek
niet voort, het houten handvat is zijn enige houvast
nu hij in al die naderende, wringende bochten nooit zijn grip
kwijt mag raken, de stangetjes van het gelaste
onderstel zijn zo fragiel, dat het dadelijk, daarginds
wel eens heel erg mis zou kunnen gaan

maar wie stuurde hem, met een klets op zijn gat, een ferme
klap op een van zijn broze schoudertjes, het ongewisse
van de wereld in, zonsopgangen, pesthaarden, dampende
mestvaalten, liefdesnesten, gebrandschatte gehuchten
en vertrapte graanakkers, veelbelovende regenbogen tegemoet?

uit alle macht tracht hij de dunne staak, aan het eind
waarvan een paar windmolentjes prijken, in balans te houden
terwijl hij zelf ternauwernood zijn evenwicht bewaren kan

voetje voor voetje – en dat al eeuwenlang


Hans Tenteije, in Het Liegend Konijn. Jaargang 5 (2007)





zaterdag 7 maart 2020


zaterdag
7
maart


Scheren

Over de strakke huid waait zand;
baardloos de kaak van de predikant.

Op het schavot van vel over been
glijdt om geloofswil het mes langs hem heen.

Het badkamerraam ziet op zolder uit
en op een verkeersbord: een voorrangsruit.

De wind houdt de blauwe luchtvlag strak.
IJs gloeit in een plas op 't garagedak.

De Heer is mijn herder, 'k heb al wat mij lust.
De dienaar van 't woord grijnst ongerust.

Zijn kind, een klein broertje, vraagt een zoen.
Zijn lippen missen half. Overdoen?

Tonnus Oosterhoff




woensdag 4 maart 2020


woensdag
4
maart
Stille slooten

Onder de wilgeboomen
heb ik het water stil gezien.
Schaduw is langs gekomen,
van een kapel misschien.


Achter de grijze takken
strekte de verre lucht heel blauw.
Droomend lagen de vlakken
groen kroos in het watergrauw.


En de begrasde kanten
schenen geweldig hoog te gaan :
schuchtere waterplanten
scholen er tegenaan.


Zoo vond ik stille slooten
vol van bedaarden zonneschijn
en heb de rust genooten
van hun gelukkig zijn.



Jan Prins (1876-1948)
uit: Tochten (1911)



zondag 1 maart 2020


zondag
1
maart


Paus Leo

Voordat paus Genga dood onder de grond
gestopt werd, al zijn botten op een rij,
klonk het in Rome uit eenieders mond:
hij is een heus lot uit de loterij.

Al wat hij deed maakte de mensen blij,
er kwam alleen verstandigs uit zijn mond,
en wie hem tegensprak was een zacht ei,
een jacobijn, een boef, een mopperkont.

Maar hij was nog niet dood en bijgezet
of de geliefde paus werd van goed mens
tot ezel, vos of achterlijk sujet.

En zo verging 't de arme drommel net
als de gestorven kater: op zijn pens
dansen de muizen blij een menuet.

Giuseppe Belli (1791-1863)
uit: Een monument voor het gewone volk (2020)
vertaling: Arthur Hartkamp



dinsdag 18 februari 2020


dinsdag
18
februari

liefste niemand weet hoe wij in eerdere levens
elkaar voorbij liepen of de bus misten waar één
van ons beiden in zat of jij mijn zuster moeder
in was en het tussen ons niks mocht worden omdat

er te veel jaren of een geloof tussen ons
dreven zo plastisch als een continent zal de afstand
soms geweest zijn ik was misschien druk in de weer met
het uitvinden van vuur terwijl jij en je vrijer


aan de overkant van de oceaan de kaarsen aanstaken
hou ik je alweer te stevig vast ik wil je niet
fijnknijpen maar ik ben blij en tegelijk bang


dat er nooit meer tussen ons zal zijn dan dit heelal
waarin we niet bij elkaar kunnen komen omdat het
te klein is voor het verdriet van twee die één worden


liefste laat tijd ons uit elkaar rukken als we een voor een
doodgaan wij slaan terug met bruggen van woorden


Tsead Bruinja (1974) (Vertaling uit het Fries van Jabik Veenbaas en Tsead Bruinja)
uit: Geboorte van het zwarte paard (2008)

zondag 16 februari 2020


zondag
16
februari


Terug in Utrecht

Wie van de Springweg door de Walsteeg liep
zag vroeger, even voor de groote boomen
van het plantsoen hem hadden opgenomen,
het lieflijkst wonder dat een stad ooit schiep.

Hoog was daar op een oude, blinde muur
een sierlijke seringenstruik ontsprongen,
zijn voet in de verweerde kalk gedrongen,
zijn bloemen ijl en als sneeuwvlokken puur.

Nu is de grauwe hofmuur afgebroken,
maar nooit is een zoo prille bloem ontloken
aan glazen huizen, ijzer en beton.

Ik dwaal en dwaal, - zie niets dan nieuwe dingen,
maar niets waar nog een merel in kan zingen:
seringen, waar een schepping in begon.



Gabriël Smit (1910-1981)