donderdag 26 september 2019


donderdag
26
september

September

Blond lief, de laatste gouden dagen
wuiven ten afscheid en wij achten 't niet,
de bomen en de struiken dragen
hun laatste tooi en in het riet
schuilen de vissen en hun trage
vinslag verraadt hen niet.

Het wordt nu tijd ons te bezinnen;
de bossen kleuren dieper bruin
en lila herfstasters beginnen
hun ijle bloeien in mijn tuin.

Het wordt nu tijd om te bedenken:
de zomer houdt niet eeuwig stand;
zij schonk ons al wat zij kon schenken -
de laatste gouden dagen wenken
en herfst komt reeds in feller kleuren drenken
de bloemen van dit dierbaar land.


Koos Schuur (1915-1995)



woensdag 25 september 2019


woensdag
25
september

Zomer. Het fruit is rijp

Ik kan met moes en fruit mij en mijn vriend gerijven;
ik eet, ik geve weg, nog kan er overblijven.
De mus, de spreeuw, de kauw en eksters eten mee;
maar tegen zulk gespuis houd ik de snaphaan reê.
Daar past mijn pulver op en schot van hagelkogels,
behalve op een slag van schadelijker vogels,
van bestemoeders aard in zulk van snoeperij;
die grijp ik levendig, en laat ze weder vrij,
doch voor een klein rantsoen. En, meisjes, wilt gij weten
waarvoor gij in mijn hof moogt alle fruiten eten,
vraagt aan de echo hier: ‘Wat geeft men voor rantsoen?’
Met maar vier lettertjes zal zij u antwoord doen.

Jacob Westerbaen (1599-1670)

dinsdag 24 september 2019


dinsdag
24
september

Het vragend Koosje

’t Knaapje met dat zwart gezigt,
’t Welk mij niet verstaat;
Vader! Zou het zonde zijn
Als ik ’t Moortje haat?

’t Is zoo lelijk in mijn oog
Met een apensnoet:
Is dat Joodje ook al een mensch
Met dat schoenengoed?

De vader:
Gij stelt zeker, lieve kind!
Al mijn zorg te leur
Zoo ge uw evenmensch veracht
Enkel om de kleur.

God schiep zwart, en bruin, en wit,
Uit hetzelfde bloed,
Gaf aan allen ’t zelfde hart,
Doet aan allen goed.

’t Joodje is uw broeder ook,
Heb hem lief, mijn kind!
Vader Abram was een Jood
En God was zijn vrind.

Zijt dan vriend van elken mensch
Doe aan allen wel;
Denk: in ’t land, waar negers zijn,
Lacht m’ om ’t blanke vel.


Petronella Cornelia van Alphen (1763-1833)


maandag 23 september 2019


maandag
23
september


Droom

In ’t midden van de nacht geraakte ik aan ’t dromen
en zag mijn Rosemond omtrent mijn bedde komen:
haar woorden waren zoet, zij was haar wreedheid moe,
haar oogjes wierpen mij veel lieve lonkjes toe.
’k Verstoute mijn gemoed en ik begon te klagen
de lange eeuwigheid van mijn bedroefde dagen,
mijn leven zonder vreugd, mijn eindeloze smart
en haar verstaalde ziel in een metalen hart.
Een zee van tranen stond in mijn gezwollen ogen,
uit mijn benauwde borst kwam zucht op zucht gevlogen.
Ik bad haar om genâ, om ’t einde van mijn nood
óf door haar wedermin, óf door een rasse dood.

Z’ ontsloot het schoon koraal, de zeilsteen van de kusjes,
de haven van mijn ziel, de speelhof van de lustjes,
haar lipjes gingen op, zij sprak mij aldus aan:
‘Vermoordt uw ogen niet en laat uw wenen staan.
Zij, die u heeft gekwetst, kan u weerom genezen;
zij, die is wreed geweest, kan u weer gunstig wezen;
zij, die uw hart bezit, maakt einde aan uw pijn
en geeft u ’t haar weerom, en wil de uwe zijn.’
O vriendelijk bedrog! O zoete dromerijen!
Helaas, hoe kort is het geluk van wie er vrijen,
want als ik met een kus haar lieve mond genaak
(ha, korte droom-geneugt!), voel ik dat ik ontwaak.


Ik heb nog lang daarna met aangename grepen
geveinsd te dromen, en mijn ogen toegenepen:
Maar, laas! de vaak verging, en ik bevond daarnaar

mijn vreugde vals te zijn en mijne droefheid waar.


Jacob Westerbaen (1599-1670)