dinsdag 29 december 2015

Dinsdag

29
December


Meligheid aan de kerstdis

Cocktail

dit is een ode, heerlijke garnalen
door mij zo wreed ontstolen aan de zee
ik nam uw jeugd en mooie toekomst mee
en liet u triest de hoogste tol betalen
er klinkt voor u een warm en luid applaus
(en ook een beetje voor de whiskysaus)

Wild

een hijgend hert kon nipt de jacht ontkomen
en ligt nog niet in stukken op een schaal
zijn plan leek simpel, maar was geniaal
het schuilt nu in struweel en achter bomen
de jagers woest, het vuren werd gestaakt
gelukkig werd de ever wel geraakt

Het rijmpje over het toetje zal ik u besparen.



Daan de Ligt

maandag 28 december 2015



Maandag

28
December


November
(vrij naar J.C. Bloem)
Het regent en het is december
De dichter Bloem is onvoorstelbaar kwaad
Natuur wordt telkenmale ongewender
Die gore plensbui is een maand te laat



Daan de Ligt



Profielfoto van Daan de Ligt

zondag 27 december 2015

Zondag

27
December

De herders

Omdat eenvoudigen verstaan
Wat door geen ingewikkeld zoeken
Noch lezen in geleerde boeken
Begrepen wordt of nagegaan,

Zijn herders toen in uwe stal
Geknield en hebben U aanbeden;
Dit is tweeduizend jaar geleden
En nog weet elk het overal.

Geen mens heeft ooit hun naam gemeld;
De rest van hun onschuldig leven
Is door geen wetenschap beschreven,
Wordt slechts aan kinderen verteld.




Anton van Duinkerken (1903-1968)
uit: Verzamelde gedichten (1957)

maandag 21 december 2015

Maandag

21
December



Walking the roads of our youth,
Through the land of our childhood, our home, and our truth,
Be near me, guide me, always stay beside me so I can be free.
Free…
Let’s roam this place, familiar and vast,
Our playground of green frames, our past,
We were wanderers. Never lost, always home,
And every place was fenceless and time was endless.
Our ways were always the same.
Calm my demons and walk with me brother,
Until our roads lead us away from each other.
And if your heart’s full of sorrow, keep walking. Don’t rest.
And promise me from heart to chest to never let your memories,
Die. Never.
I will always be alive and by your side.
In your mind,
I am free.


Dorian en Daniel

vrijdag 27 november 2015

Vrijdag

27
November

Drs.P  RIP

Een man vertrekt, ik doe hem uitgeleide
Een stille man vertrekt en ik blijf hier
Straks glijdt de veerpont naar de overzijde
Van deze onheilspellende rivier

De wind steekt op, het onweer wacht niet langer
De bliksem flitst, de donder gaat tekeer
En hij reist af: mijn vriend, de dichter-zanger
De man van het befaamde Heen en Weer

De veerman steekt zijn vaarboom in het water
En jaagt de golven met zijn boot uiteen
Die boot zal leeg zijn als terugkomt later
Want deze schipper brengt alleen maar heen

De nevel sluit zich en toch blijf ik kijken
Een tovenaar verlaat ons dichtersland
En nooit meer, nooit kan ik hem nog bereiken
Hij blijft voor eeuwig aan de overkant



Ivo de Wijs

donderdag 26 november 2015

Donderdag

26
November


November

ut waas 12 oor, in venlo ut waor tied um naor hoes te gaon.
Toen iemand zei heej loêp es mej, ut is heer nog neet gedaon.
Ik keek ow aan en ik schrok d'r vaan, ik háj ow jaore neet gezeen.
Geej waar nog moei, net zo moei ás toen gans in ut begin.
Op ut kerkplein, in November zág ik ow veur den ierste kier,
de wind dae weide daor ow hoar en ik zág ut gevaor.
ik zág mien hand al in ow hand en ik docht loêp doer loêp doer,
onderwaeg heb ik meej zelf verteld, ut waas ni mier dán un blaad dát velt.

már un blaad det velt en un book giet dicht már wat bleef dát was ow gezicht,
overdaag de zon en snachts de moan, ik kos ow oêge neet wirstoan.
Ik doch mier aan ow dan aan mejzelf ik doch daage aan en stuk,
wat is dit nou, moeîe vrouw, dit is weggegoeit geluk.

en snachts in bed sloap ik net komde geej op bezeuk beej meej,
mien bed is kalt mien kamer kaal en ik droêm hárd as staal.
en geej ziet zacht ás dons ás vacht en ik drej meej um ow hin.
en in ow èrm weer ik wèrm en droêm mien moeiste zin.

Teveul gedoch te lang gewacht ik ging door op halve kracht,
der bleef niks mier oaver vaan dit schip, ut dreef langzaam tot èn stip.
tot èn peuntje aan d'n horizon, op enne oceaan zo groêt.
Ik heb álles, overboart gegoeïd dun háve deen kwam noeit.

Ut waar smerges vroeg, in Venlo hoêg tied um nao hoes te goan,
geej keek meej aan en ik keek ow aan van kiek os heer now stoan.
ik peek ow hand en ik lachte want, ow gezicht en owwe naam.
en hoe geej keek, ow hoar wegstreek toen de zon aan d'n hiêmel kwaam.



Rowwen Heze

woensdag 25 november 2015

Woensdag

25
November


25 november 1898

De deur ging langzaam open; ik rook een kerkhofgeur.
Ik staarde stil in de zwarte leegte der open deur.
Een lange grauwe gestalte, bovennatuurlijk groot,
Stond zwijgend op de drempel en wachtte, het was de dood.
Met blauwe glans verlichtten de oogen het bleke gelaat
Met flauw en weifelend schijnsel, als hout dat langzaam vergaat.

`Wat blijft gij daar en op de drempel stil en dreigend staan?
Ik heb U daareven geroepen; kom binnen en raak mij aan.
Uw witte koele handen bezitten wondermacht
Reeds hebben ze menige lijder rust en genezing gebracht.
Leg zachtjes Uw hand op mijn voorhoofd, dat pijnlijk klopt en gloeit
En eindig de droom des levens, die mij benauwt en vermoeit'.

Een lange stilte volgde. Ik staarde naar het licht,
Dat flauwer werd en flauwer... De deur ging langzaam dicht.





Jacqueline van der Waals (1868-1922)
afbeelding van Waals, Jacqueline Elisabeth van der

dinsdag 10 november 2015

Dinsdag

10
November


Mensen met koffers gaan over de wereld,
van oorlog naar vrede, van honger naar brood.
Vaak zijn ze niet welkom, dan moeten ze terug;
van voedsel naar honger, van leven naar dood.

Mensen met koffers, ze reizen per vliegtuig,
ze reizen per ezel, per trein of per vlot.
Ze vluchten voor machthebbers en hun soldaten,
voor beul of tiran, of een andere God.

De geur van het gras
dat je grootmoeder maaide,
het wuivende graan
dat je vader eens zaaide.

Het kleine verdriet
dat je moeder steeds suste,
heur haar dat zo kriebelde
als ze je kuste.

Dat alles was thuis
dat alles en meer.
Dat alles, dat alles,
dat alles nooit weer.

Mensen met koffers gaan over de wereld.
Altijd op de vlucht naar de volgende grens
Ze vluchten voor tovenaars, reuzen en heksen,
voor duivel en draai – die vermomd gaan als mens.

Sjoerd Kuyper

uit: Alleen mijn verhalen neem ik mee

zondag 8 november 2015

Zondag


8
November

't Weldadige geldleenen


‘'k Leen gaarne d'arme die in nood is.’ - Gy doet wel;
Maar, vriend-lief, wees dan ook in 't manen niet zoo fel. -
‘Met recht vraagt hy die 't gaf, het uitgeleende weder.’ -
Zoo is 't; maar als die 't leent niet wedergeven kan,
Is 't wedervergen van die geldschuld nog veel wreeder
Dan of 't geweigerd ware, en 't hart verscheurt daar van.
Ach, Christen, geef, ja geef om niet weêrom te ontfangen,
Leen, zonder dat ge een hoop op 't wedergeven kweekt.
Uw leen zij bloote gift! Waar 't hart er aan blijft hangen,
Is 't zelfbegoocheling waarin de Boze spreekt.

De man vraagt iets te leen? - Gy, zeg niet: 'k wil 't u geven;
Dat woord vernedert hem, beschaamt, en doet hem zeer:
Ontfang' hy 't blijgemoed, met de oogen opgeheven;
Maar schenke uw hart het hem, en vorder 't nimmer weêr.





Willem Bilderdijk (1756-1831)
uit: 
Avondschemering (1828)

woensdag 4 november 2015

Donderdag


5
November

November


Het regent en het is november: 
Weer keert het najaar en belaagt 
Het hart, dat droef, maar steeds gewender, 
Zijn heimelijke pijnen draagt. 

En in de kamer, waar gelaten 
Het daaglijks leven wordt verricht, 
Schijnt uit de troosteloze straten 
Een ongekleurd namiddaglicht. 

De jaren gaan zoals zij gingen, 
Er is allengs geen onderscheid 
Meer tussen dove erinneringen 
En wat geleefd wordt en verbeid. 

Verloren zijn de prille wegen 
Om te ontkomen aan den tijd; 
Altijd november, altijd regen, 
altijd dit lege hart, altijd. 

J.C. Bloem 
Uit: Het verlangen 1921 
opgenomen in 'Verzamelde gedichten' 
Copyright © 1965 Athenaeum – Polak & Van Gennep 

Woensdag

4
november


Weerkeer

De zon schijnt en het is november
weer keert de warmte en zij schraagt
het hart dat steels, maar steeds ontremder
om langverloren vreugde vraagt.

En in de duinen, uitgelaten,
liep ik met mijn ogen dicht;
huiswaarts scheen er uit de straten
zongekleurd namiddaglicht.

Laat de jaren nu maar komen,
er is allengs geen onderscheid
meer tussen onuitspreekbare dromen
En wat geleefd wordt en verbeid.

Onnodig zijn de prille wegen
om te ontkomen aan de tijd;
Altijd gelukkig, altijd zegen,
Altijd dit stille hart, altijd.


Michiel van de Vliet

dinsdag 3 november 2015

Dinsdag

3


november

November
Het al schaarse morgenlicht
wordt gefilterd door de nevels.
Ik loop bij gebrek aan zicht
tastend langs de huizengevels.
Het is koud en het is nat,
en ik heb het wel gehad.
O no!
No, no!
November.

Deze troosteloze maand
doet de doden weer ontwaken
en we lopen met betraand,
bleek gezicht ons moe te maken.
Het is nat en het is koud,
en de halve wereld rouwt.
O no!
No, no!
November.

Bomen vullen weer hun tijd
met bestrooi van dode blaadren.
Op dit knisperend tapijt
horen wij de winter naadren.
Het is koud en het is nat,
en ik ben het meer dan zat.
O no!
No, no!
November.

Musonius (Martijn Breeman)

maandag 2 november 2015

Maandag

2


november

Bourgeois en proletariër

Zij schatten honend zijn waarde
Met de maat van het stomme geld,
Naar de factor zijner slijtage,
Naar de jaren die hij telt.

Zij verbruiken de kracht van zijn leven
In hun harde meerwaardefabriek,
En gunnen den rest aan de wormen,
Als een vuile, waardloze kliek.

Zij hebben bittere zorgen
Om zijn godsdienst en zedelijkheid,
Zij volgen hem tot in zijn woning
Met verwaande weldoenerigheid.

Zij willen hem commanderen
In zijn vreugde en zijn smart,
En met hun plompe poten
Trappen ze hem op het hart.

En met hun domme verbazing
Kijken ze in zijn gezicht,
En begrijpen niet de hoogheid,
Die in zijn trekken ligt.


Dirk Jelles Troelstra (1870-1902)

zaterdag 24 oktober 2015

Zaterdag

24

oktober



Adriana de Buuck

Een zestiende-eeuwsche Vrouwe van geen twintig jaar.
Het voorhoofd, smal maar jong en effen, is omgeven
door het devotelijk teruggekamde, en even
door een fijngazen muts gedekte, bruine haar.

Roerloos staat de figuur: geheel in zwart - en waar,
uitglippend onder bont, de mouwen ietwat leven,
door hun warm karmozijn, aan 't doodsche kleed gaan geven,
liggen de handen stroef en bijna kleurloos op elkaar.

En kalm, tè kalm kijkt deze jonge vrouw. Men raadt
een vuur, dat ook die weeke roode mond verraadt,
dat in die starende oogen is teruggedrongen.

Een ondervoed gevoel, door een verbruut gemaal,
door kerkdienst, sloom gebaar en ingetogen taal,
een moedermaagd onwaardig, als door stààl bedwongen.



Reprise (na 6 jaar)

Zoo schreef ik. Want wat wist ik van uw zonden?
ik, op mijn teenen onder uw portret.
Een kind kon niet uw hoog gemoed doorgronden:
gij leekt mij schoon als een beheerscht gebed.

Ik zag niet dat uw mond zoovele monden
gelaafd had, dat gij steeds weer hadt gered
de door uw schoonheid reddeloos gewonden,
gevend uzelve: schroeiend, onbesmet.

Eénige gave in dit armzalig leven,
van god of duivel die ons 't leven gaf;
o gif en tegengif vòòr 't feilloos graf!

En wat daar in uw oogen stond geschreven
was koele haat en minachting voor straf,
en bittre spijt niet méér te kunnen geven.


E. du Perron (1899-1940)