donderdag 8 juli 2021

 

donderdag

8

juli

Weemoed

O, weemoed waaraan Waspik lijdt,
Westhem, Westhoek en Waterscheid,
Weemoed van Woensel, Windeweer,
Van Wilsum, Wouw en Westermeer,
Van Wapenveld en Wemeldinge,
Van Wedde, Weel en Wageningen.
O, weemoed om de waterschuwen,
om jongens die geen meisjes huwen,
Om ’t hoofd waarop geen haar gekamd wordt,
De woning waar geen wig gewamd wordt.
O, weemoed om het weerbericht
Om alles wat, niet waterdicht,
Door weer en wind wordt overvallen,
Om feesten die in ’t water vallen.
O, weemoed om de weduwen,
Om duwers die niet meeduwen,
Om herders die hun vee schuwen,
Om wallen die geen vijand weren,
En dijken die geen water keren.
En weemoed om het worstenvel,
Om wat er niet en wat er wel
In worstevellen wordt gedaan.
O, weemoed om het werwaarts gaan.
En weemoed om de wederhelft
Die zich verdrinken wou in Delft.
O, weemoed om de watertoevoer,
Om wederin- en wederuitvoer,
Om Willemsvaart en Willemsorde,
Om wezens die niet wijzer worden,
Om witte- en om tarwebrood,
Om heel de wijde wereldkloot.
O, weemoed om het wederzien,
Om wachten en niet langer wachten
Op wat door anderen werd ontvreemd
En wat zij nimmer wederbrachten.

O, weemoed, weemoed boven al
Om wat er van ons worden zal,
Om al wat was en wat zal wezen
En waarvan niets ons kan genezen.




Daan Zonderland (1909-1977)



zondag 4 juli 2021

 

zondag

4

juli

’t Is een wonderlijke wereld

’t Is een wonderlijke wereld
Waar des menschen voet in staat, —
Vol van fraaigedoste ellende
En van fijnbeschilderd kwaad.

’k Zie gemeenheid, die beschaafd is,
Domheid, die niet weinig weet,
Need’righeid, die innig trotsch is,
Misdrijf in een heilig kleed.

Nullen van gewichtig aanzien,
Schande en schuld, die glorie heet,
Arme rijken, lage hoogen,
Jeugdige ouden, lachend leed.

't Is een wonderlijke wereld,
Waar des menschen voet in staat, —
Mensch! word wijs door goed te aanschouwen
Hoe onheilig-dwaas ’t hier gaat.




Eliza Laurillard (1830-1908)
uit: Bloemen en knoppen (1878)




 

zaterdag

3

juli

 

Juli

Ik stuur je in juli met je kameraden
naar Aristano met z’n dikke wijn
en z’n in peper, zeezout en azijn
bereide vette varkenskarbonade,

en dan daarbij nog bittere salade
met koolblad, salvia en roosmarijn,
en dan als klapstuk van dat vreetfestijn
een taai stuk vossenvlees dat ze daar braden.

En rondlopen in zware monnikspijen,
hoezeer je ook wordt geroosterd door de hitte,
en heftig met de gastheer bakkeleien

wanneer die vrek weer op je zit te vitten,
en alle vrouwen diep vermaledijen
die je constant achter de vodden zitten.




Cenne da la Chittara (?-1336)