woensdag 7 januari 2026

 

woensdag

7

Januari

 

Week van de vertalingen

 

Mijn vriend, weet gij niet

Dat al wat wij hier zien

Een weerschijn slechts, een schaduw is

Van wat ons oog niet schouwen kan?

 

Mijn vriend, hoort gij niet

In elk geluid dat ons bereikt

Een zwakke echo slechts, een weerklank

Van een volmaakte symfonie?

 

Mijn vriend, kunt ge ook niet vermoeden

Dat maar één ding op aarde belangrijk is:

In een stille groet

Worden twee harten één

.

We kwamen niet tevergeefs tesaam,

Niet tevergeefs fluistert als in

Laaiend vuur mijn passie.

Het bedwingen van dit vuur

Staat dat niet borg

Voor de kracht der Schepping?

 

In de hete donk’re krochten

Stromen de wilde golven

Van eeuwige liefde.

Uit de hitte van de kerker

Breng ik van de fladderende Feniks

Jou de veer.

 

Licht uit nacht. Uit het aardedonker

Kan jouw rozenpracht niet glanzend opstijgen,

Als in dit troebele duister

Niet diep ingebed zat

Jouw oorspronkelijke macht.

 

Wladimir Sergewitsch Solowjow (1853-1900)

Uit: Ernste Gedichten

Duits: Johannes von Guenther, (1886 - 1973)

Vertaling strofe 1 en 2: Jan Romkes van der Wal (Pylgeralmanak, pastoor te Bolsward)

Vertaling overige strofen: Frans Woortmeijer, m.m.v. Ari van Buuren

dinsdag 6 januari 2026

 

dinsdag

6

Januari

Driekoningen

Week van de vertalingen

 

De reis van de drie koningen

 

Het weer was niet best om heel ver te gaan reizen

De weg vol met modder, het weer uiterst guur

Kamelen verlangden heel erg naar hun schuur

Hun hoeven bezeerd, zochten zij paradijzen

Wij dachten met spijt terug aan onze paleizen

De meisjes gehuld in hun zijde, zo puur

En fonk’lende wijn in bokalen, heel duur

Een leven bestemd voor doorluchtige wijzen

 

De drijvers, ze vloekten, ze scholden, ze staakten

Ze vroegen om vrouwen, om hoeren en drank

De vuren die smeulden, verspreidden veel stank

’t Was vaak dat wij naar een goed onderdak haakten

Dus logisch dat wij soms de hele nacht waakten

De stadjes zo vuil en de dorpjes zo duur

Het leek wel als liepen we tegen een muur

En goden die onze reis lange tijd laakten

 

Maar toen werd het licht en daar was er dat dal

Geen sneeuw meer, maar bloemen in vroeg’ voorjaarstooi

De beek snelde voort en een molen, zo mooi

Drie bomen die stonden daar stokstijf en pal

Een herberg met wijnranken, rijp zonder tal

De werklieden gokten hun dagloon er door

En voetknechten riepen om meer wijn in koor

Hun roepen verwerd er weldra tot gebral

 

Maar info kon men ons aldaar niet verschaffen

Dus verder maar weer op ons duistere pad

En daar was ons doel, ja daar was er die stad

Het doel was het waard, zou ons zeker niet straffen.

 

Het is lang geleden, maar ‘k zal ’t nooit vergeten

Maar wel kwelt ons immer een prangende vraag

Het doel dat ons dreef was uiteindelijk vaag

Geboorte of dood, dat zou ik willen weten.

Geboorte, jazeker, dat mocht het wel heten

Maar deze geboorte sereen en zo groot

Was tevens ons einde, gewis onze dood

Maar hoe…? Ach, we werden er gans door bezeten

 

We keerden naar huis terug, terug naar ons rijk

Maar thuis voelden wij ons al lang daar niet meer

De mensen, maar steeds met hun god in de weer

Ach, kwam er een tweede dood in ons bereik….

 

Frans Woortmeijer

Vrij naar T.S.Eliot en Martinus Nijhoff

maandag 5 januari 2026

 

maandag

5

januari

 

Aan de Maas

Aan de Maas gezeten
turend in het zwerk
het stadsgeraas geweken
ontstijgt men aan zichzelf

Op hoger plan gekomen
wiekend door de lucht
de zwaartekracht te boven
vindt men een ander terug

O vogel van verlangen
wiegend op de wind
verlos ons van elkander
en van elkaars gewicht




Jules Deelder (1944-2019)
uit: Het lot van de eenhoorn (1997)