dinsdag
21
Juli
Formule
Schandere
opmerking:
“E= mc2”
Ja.
Albert Einstein –
Die kende
zijn vak
En zijn
betoog was heel
Argumentatierijk
(Blijft
achterwege hier
Voor het
gemak)
Drs P (1919-2015)
Uit: Wis- en natuurlyriek
maandag
6
Juli
Latijn
Een uitgesproken
mannelijke taal
Dus degelijk en
logisch van structuur
Syntactisch echter
elegant en snedig
Het is dan ook met
liefde en met vuur
Dat ik dit erfgoed
koester en verdedig
De eigen taal is als
een eigen huis
De spelling – ach –
werd hier en daar zinledig
Door toedoen van ’t
hervormende gespuis
Maar dat is slechts
een uiterlijke kwaal
De bouw is sterk,
hetgeen verklaren kan
Dat ooit dit het
Latijn was van Japan
Drs P (1919-2015)
Drs P had rijm en metrum hoog in het vaandel staan – maar de
Nederlandse taal ook, zoals blijkt uit deze lofzang, die onder de titel “Latijn”
gewoon over het Nederlands gaat.
Het Nederlands was een paar eeuwen geleden de enige westerse
taal die in Japan gesproken werd.
donderdag
2
Juli
Waarlijk siert u de
vrijmoedigheid
waarmee u spreekt in
duistere toespelingen
Over omgeploegde
papavervelden, besproeid door de regens
en de maagdelijke
dracht van mijn dochter
Geprezen zij de
afwezigheid van schroom
die u beletten zou de
naam van
de verheven stad
Kwangsi uit te spreken
met de haar
toebehorende hoofdletter
Moge het zonlicht nog
vele jaren
uw nobele gelaat
strelen
en uw dag verlichten,
gezeefd door het
traliewerk
haar vierkanten
werpend
op de
salpetergeurende kerkermuur
Kees Koelewijn
dinsdag
30
Juni
Sonnet
goeden nacht mandarijn
uw gouden mantel werd vandaag gebracht
en ook de blauwe van uw schoonzoon
en de witte van uw jongste dochter
het papaverveld is voor de helft omgeploegd
de witte hond heeft eindelijk wat gegeten
rijst en pindaboter, maar hij wacht nog
op de naam die hij zal dragen
in kwangsi heeft het zwaar geregend
er was een hevig onweer en daarna heeft
het zwaar en lang geregend
in de wilgenbomen zweefde vanmorgen een geest
en de paarden van de keizer zijn verzonden
de zeven paarden zijn vertrokken in twee wagens
Jan Hanlo (1912-1969)
vrijdag
26
juni
Goedemorgen, hemelse
mevrouw Ping
is U de zachte nacht bevallen, hebben de on-
deugende, geheimzinnige planten naar behoren
gegeurd en zijn hopelijk geen van uw overige
zuigelingen aan de builenpest bezweken?
Hebt U de interessante nerveuze godvruchtige
vogeltjes, vrome goedertierende mevrouw, al wel
bekeken, druk telefonerend van: hallo, met piet,
kom je op mijn tak - o de sierlijke levendige
vogels, allemaal allemaal voor de brave poes,
die veelbeproefde droevige moeder. Ja verdomd,
deze ziekte, lieve beklagenswaardige mevrouw,
is een wrede rakker en zoveel is wel duidelijk:
er valt niet tegenop te baren, waar zelfs het
begrafeniswezen, die intieme huisgenoot, die
zeer bekende schenker ook van lauwe melk,
op zijn verlengde achterpoten het ter
aarde bestellen welhaast niet meer bij kan
benen, nietwaar, dame Ping, radarbesnorde,
dubbelgepuntmutste, mevrouwogige poezin?
Het is nu beter te zitten zonder weemoed in
de rauwe geurige ochtendlucht, nu de zon nog
teder is en de gordijnen levendig in de goede
vrolijke wind. O halmstaartige voortreffelijke,
kijk, zwijgzame zwakzinnige allerliefste,
er loopt een belangwekkend, héél klein maar
bijzonder lekker beestje tussen de kiezelstenen
onder de hemelsblauwe hortensia
(Aan mijn neerslachtige poes, ter vertroosting bij het
overlijden van zijn gebroed)
F. Harmsen van Beek (1927-2009)
uit: Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten (1966)
donderdag
4
juni
De volmaakte man
Gestadig in het werk tot nut van 't huisgezin,
En ievrig om zijn ampt met glorie te bekleeden;
Niet driftig, nooit geneigd tot wufte of dartle
zeden;
Bezorgd voor zijn belang, maar wars van slecht
gewin:
Aan 't spel niet toegedaan, aan Bacchus vocht nog
min;
Bedacht om zelfs met nut zijn' speeltijd te
besteeden;
Geen laf bewonderaar van vreemde aanvalligheden;
Verliefd, en tederlijk, maar op zijne Echtvrindin!
Getrouw tot in den dood aan de eedle
vriendschapsbanden;
Bereid om voor den Staat zijn leeven te verpanden;
Meedogend, heusch, oprecht, wijs, vriendlijk,
zacht van geest.
De Man, met zoo veel deugd, met zoo veel roem
beschonken,
Die Man, zoo dubbel waard in Dichtlust mij te
ontvonken,
Is, naar ik merken kan, nog nooit op aard geweest.
Juliana Cornelia de Lannoy (1738-1782)
uit: Nagelaten gedichten (1783)
dinsdag
26
mei
Eb
Ik trek mij terug en
wacht.
Dit is de tijd die niet verloren gaat:
iedre minuut zet zich in toekomst om.
Ik ben een oceaan van wachten,
waterdun omhuld door 't ogenblik.
Zuigend eb van het gemoed,
dat de minuten trekt en dat de vloed
diep in zijn duisternis bereidt.
Er is geen tijd. Of
is er niets dan tijd?
M. Vasalis, (1909-1998)
uit: Vergezichten en gezichten
maandag
4
mei
Tot we allemaal
vrij zijn
Tot we allemaal vrij
zijn
Is er niemand vrij
Tot we allemaal vrij
zijn
Liegen wij
Over wie we zijn
Als maatschappij
Tot we allemaal vrij
zijn
Ontkennen wij
De ware betekenis
Van het woord vrij
Tot we allemaal vrij
zijn
Vieren wij
Een herinnering
Aan een moment
Dat tegenwoordig
niemand meer herkent
Tot we allemaal vrij
zijn
Zijn we misschien te
cynisch
In de rijmelarij
Tot we allemaal vrij
zijn
Is er niemand vrij
Met alle respect,
uiteraard
Dat hoort erbij.
Pepijn Lanen
zondag
3
mei
Tristis imago
Wat staat gij naast mijn bed, Moeder van gene zijde?
Wat doet gij in mijn kamer in de zwarte nacht?
Kan mijn bestaan zich nooit van uw bestaan bevrijden,
dat gij mijn slaap nog met uw heimelijkheid bevracht?
Wat praat gij tegen mij, Moeder van gene zijde?
Ik wíl niet wakker worden, als gij naast mij staat.
Het hart zal mij stukhameren, als ik moet lijden
het schrikkelijk verwijt op uw geblust gelaat.
Ida Gerhardt (1905-1997)
dinsdag
17
maart
Na Jaren
Als ik na jaren weer zal komen
uit mijn overgroeide graf,
zal ik dan nog de verzen horen
die ik bij mijn leven gaf?...
Zal er dan nog een enkele wezen
die ze niet vergeten heeft,
zal er nog één de bladen lezen
waar 'k mijn ziel heb uitgeleefd?...
Laat ik niet hopen, laat ik niet denken,
dichters komen, dichters gaan,
zoals ik had, zo moest ik schenken
en mijn lief heeft mij verstaan.
François
Pauwels (1888-1966)
maandag
16
maart
De reis
Vaarwel, kortstondig leven, handvol dagen,
ik wacht op het perron, mijn kraag omhoog,
ginds komt de trein door de berookte boog
om in het duister met mij heen te jagen.
Dit is het einde van mijn aardse plagen
het schaars geluk dat spiegelde en bedroog,
het ongeluk dat immer zwaarder woog,
ik hoef ze beide langer niet te dragen.
Mijn leven was gelijk een dag van Leugen,
wat bleef er van in mijn verzwakte geheugen
dan het verlangen naar een beter lot?…
Mijn moede voet stijgt langs de lutt’le treden,
de Leugen lacht mij toe, maar beneden:
ik reis gerust, – de Waarheid is bij God …
François
Pauwels (1888-1966)
donderdag
5
maart
Faltonia Betitia Proba (ca. 315-360), stamde uit een
vooraanstaande Romeinse familie. Ze bekeerde zich tot het Christendom en gaf
uiting aan haar nieuwe geloof door de belangrijkste verhalen uit het Oude en
Nieuwe Testament na te vertellen in verzen die ze ontleende aan het oeuvre van
Vergilius. Ze werden vertaald en ingeleid door Mieke de Vos, onder de titel “De
gouden bron. De Bijbel in verzen van Vergilius”. Het onderstaande vers
beschrijft de eerste periode vlak nadat Eva en Adam uit het paradijs zijn
verdreven.
Nieuwe straffen voor de mensheid
De Vader maakte toen de beet van slangen giftig,
ontnam de mens het vuur en de honing uit de bomen,
Hij liet de wolf op mensen jagen, verhief de zee,
niet langer stroomden beken over van zoete wijn.
Daarna bezocht Hij het graan met ziekte, aren zwart
van roest, een mislukte oogst, overal heerste
honger.
Het vangen van wild met lijm en vallen is toen
bedacht.
In harde tijden heerste nooddruft op de velden,
en zette de zorg om het bestaan het hart op scherp.
Geleidelijk aan verzwakt de mensheid, verschiet
van kleur,
het ijzeren geslacht verscheen op de harde aarde,
gevolgd door blinde strijdlust en liefde voor
bezit.
Wat restte was een wereld zonder een spoor van
recht.
Het duurt niet lang of woede en drift verjagen de
rede:
het bloed van je broer vergieten, dat verschaft
pas vreugde!
De rijken begroeven hun goud en bleven er op
broeden,
de armen kregen medeleven noch een helpende hand.
Proba (ca. 315-360)
uit: De gouden bron (Damon, 2025)
vrijdag
30
Januari
Doe het toch maar
Doe het toch maar
Ook op die momenten
Dat je denkt dat
Niemand je ziet
Blijf het doen
Roer je
Kom opdagen
Maak een vuist
Laat je horen
Doe het toch maar
Zeg dat maar tegen
jezelf op die momenten
Dat je niet meer weet
waarvoor je het doet
Doe het toch maar
Ook als ze blijven
zeggen
Dat het hier niet
Amerika is
Dat het hier niet zo
erg is
Dat je anders maar
moet ophoepelen
Naar een ‘eigen’land
Doe het toch maar
Ook al is de
verleiding soms groot
Om je stil te houden
Je te schikken
Omdat nooit iedereen
hetzelfde recht
Zal hebben
Om comfortabel
In hun eigen lichaam
Huis, in dit land te
zijn
Wat is het dan waard?
Doe het toch maar
Ook op die momenten
Dat je denkt dat
Niemand je ziet
Doe het toch maar
Blijf herhalen
Wat je gisteren zei
Zeg het vandaag weer
En morgen ook
Babs Gons