vrijdag 11 september 2026

 

vrijdag

11

september

 

Psalm

 

O, hoe gebrekkig sluiten de grenzen van de mensenstaten!

Hoeveel wolkjes drijven straffeloos over,

hoeveel woestijnzand sijpelt niet van land naar land,

hoeveel steentjes rollen niet in provocerende sprongetjes

bergafwaarts naar vreemde landerijen.

 

Moet ik hier van elke vogel zeggen of hij overvliegt,

of juist neerstrijkt op de slagboom aan de grens?

Zelfs van een gewone mus hangt de staart al buitenslands,

terwijl zijn snavel thuis is. En stilzitten is er niet bij!

 

Van de ontelbare insecten beperk ik me tot de mier

die zich tussen de linker- en de rechterschoen van de grenswacht

niet geroepen voelt te antwoorden op diens 'waarvandaan? waarheen?"

 

Ach, als je heel die chaos eens precies kon overzien,

op alle continenten tegelijk!

Smokkelt de liguster van de overkant niet net

blaadje nummer honderdduizend over de rivier?

Wie anders dan de inktvis met zijn brutaal lange armen

schendt de heilige zone van de territoriale wateren?

 

Is er eigenlijk wel sprake van enige orde,

als zelfs de sterren niet uit elkaar te houden zijn

zodat we nooit kunnen weten welke voor wie schijnt?

 

En dan nog dat verfoeilijke neerdalen van mist overal!

En dat stuiven van de steppe waar je ook maar kijkt,

alsof hij nergens recht doormidden wordt gesneden!

En die stemmen die op gedienstige luchtgolven weerklinken:

dat gepiep dat om iets roept, gepruttel dat iets betekent!

 

Waarlijk vreemd vermag alleen te zijn wat menselijk is.

De rest is gemengd bos, mollenwerk en wind.

 

 

Wisława Szymborska (1923-2012)

woensdag 9 september 2026

 

woensdag

9

september

 

Op Cromwel in sijn coets

Siet hoe den Dwingelandt praelt, bruyst, in sijne Coets,
Om dat hy Stuart heeft ten setel uitgeruckt.
Hy heeft de stale byl hem door de neck gedruckt.
Hy heerst, ach, met verlies van soo veel edel bloets!
Hy breeckt de Croon in stuck, hij treckt de throonen af,
Hy wringht de oppermacht het Parlement uyt handen,
Hy heerst als een Monarch met sijnen ijsren staf,
Hy jaeght de vrijheit in het duystre, nare, graf,
Hy prest den ondersaet*, bint hem met zeel* en banden.
Ach 't is een hart gelach voor Londen, die moet lijen,
De staetsucht des soldaets, die hare pracht en prael
Afperst van 't sinloos volck, met haer bebloede stael!
O overheerde Brit! o slaefse Borgeryen!
Ghy wert geperst, verdruckt, geschopt, aen allen sijen,
Van die daer praelt in sijn bebloede Coets!
Sijn ooghen sijn vol moorts, sijn handen sijn vol bloets!



Margareta van Godewyck (1627-1677)