vrijdag
11
september
Psalm
O, hoe gebrekkig
sluiten de grenzen van de mensenstaten!
Hoeveel wolkjes
drijven straffeloos over,
hoeveel woestijnzand
sijpelt niet van land naar land,
hoeveel steentjes
rollen niet in provocerende sprongetjes
bergafwaarts naar
vreemde landerijen.
Moet ik hier van elke
vogel zeggen of hij overvliegt,
of juist neerstrijkt
op de slagboom aan de grens?
Zelfs van een gewone
mus hangt de staart al buitenslands,
terwijl zijn snavel
thuis is. En stilzitten is er niet bij!
Van de ontelbare
insecten beperk ik me tot de mier
die zich tussen de
linker- en de rechterschoen van de grenswacht
niet geroepen voelt
te antwoorden op diens 'waarvandaan? waarheen?"
Ach, als je heel die
chaos eens precies kon overzien,
op alle continenten
tegelijk!
Smokkelt de liguster
van de overkant niet net
blaadje nummer
honderdduizend over de rivier?
Wie anders dan de
inktvis met zijn brutaal lange armen
schendt de heilige
zone van de territoriale wateren?
Is er eigenlijk wel
sprake van enige orde,
als zelfs de sterren
niet uit elkaar te houden zijn
zodat we nooit kunnen
weten welke voor wie schijnt?
En dan nog dat
verfoeilijke neerdalen van mist overal!
En dat stuiven van de
steppe waar je ook maar kijkt,
alsof hij nergens
recht doormidden wordt gesneden!
En die stemmen die op
gedienstige luchtgolven weerklinken:
dat gepiep dat om
iets roept, gepruttel dat iets betekent!
Waarlijk vreemd
vermag alleen te zijn wat menselijk is.
De rest is gemengd
bos, mollenwerk en wind.
Wisława Szymborska (1923-2012)