donderdag 4 juni 2026

 

donderdag

4

juni

 

De volmaakte man

Gestadig in het werk tot nut van 't huisgezin,
En ievrig om zijn ampt met glorie te bekleeden;
Niet driftig, nooit geneigd tot wufte of dartle zeden;
Bezorgd voor zijn belang, maar wars van slecht gewin:

Aan 't spel niet toegedaan, aan Bacchus vocht nog min;
Bedacht om zelfs met nut zijn' speeltijd te besteeden;
Geen laf bewonderaar van vreemde aanvalligheden;
Verliefd, en tederlijk, maar op zijne Echtvrindin!

Getrouw tot in den dood aan de eedle vriendschapsbanden;
Bereid om voor den Staat zijn leeven te verpanden;
Meedogend, heusch, oprecht, wijs, vriendlijk, zacht van geest.

De Man, met zoo veel deugd, met zoo veel roem beschonken,
Die Man, zoo dubbel waard in Dichtlust mij te ontvonken,
Is, naar ik merken kan, nog nooit op aard geweest.



Juliana Cornelia de Lannoy (1738-1782)
uit: Nagelaten gedichten (1783)

dinsdag 26 mei 2026

 

 

dinsdag

26

mei

Eb

 

Ik trek mij terug en wacht.
Dit is de tijd die niet verloren gaat:
iedre minuut zet zich in toekomst om.
Ik ben een oceaan van wachten,
waterdun omhuld door 't ogenblik.
Zuigend eb van het gemoed,
dat de minuten trekt en dat de vloed
diep in zijn duisternis bereidt.

 

Er is geen tijd. Of is er niets dan tijd?

 

 

 

M. Vasalis, (1909-1998)
uit: 
Vergezichten en gezichten

maandag 4 mei 2026

 

maandag

4

mei

 

Tot we allemaal vrij zijn

 

 

Tot we allemaal vrij zijn

Is er niemand vrij

 

Tot we allemaal vrij zijn

Liegen wij

Over wie we zijn

Als maatschappij

 

Tot we allemaal vrij zijn

Ontkennen wij

De ware betekenis

Van het woord vrij

 

Tot we allemaal vrij zijn

Vieren wij

Een herinnering

Aan een moment

Dat tegenwoordig niemand meer herkent

 

Tot we allemaal vrij zijn

Zijn we misschien te cynisch

In de rijmelarij

 

Tot we allemaal vrij zijn

Is er niemand vrij

 

Met alle respect, uiteraard

Dat hoort erbij.

 

Pepijn Lanen

zondag 3 mei 2026

 

zondag

3

mei

 

Tristis imago

Wat staat gij naast mijn bed, Moeder van gene zijde?
Wat doet gij in mijn kamer in de zwarte nacht?
Kan mijn bestaan zich nooit van uw bestaan bevrijden,
dat gij mijn slaap nog met uw heimelijkheid bevracht?

Wat praat gij tegen mij, Moeder van gene zijde?
Ik wíl niet wakker worden, als gij naast mij staat.
Het hart zal mij stukhameren, als ik moet lijden
het schrikkelijk verwijt op uw geblust gelaat.



Ida Gerhardt (1905-1997)

dinsdag 17 maart 2026

 

dinsdag

17

maart

Na Jaren

Als ik na jaren weer zal komen
uit mijn overgroeide graf,
zal ik dan nog de verzen horen
die ik bij mijn leven gaf?...

Zal er dan nog een enkele wezen
die ze niet vergeten heeft,
zal er nog één de bladen lezen
waar 'k mijn ziel heb uitgeleefd?...

Laat ik niet hopen, laat ik niet denken,
dichters komen, dichters gaan,
zoals ik had, zo moest ik schenken
en mijn lief heeft mij verstaan.

François Pauwels (1888-1966)

maandag 16 maart 2026

 

maandag

16

maart

De reis

Vaarwel, kortstondig leven, handvol dagen,
ik wacht op het perron, mijn kraag omhoog,
ginds komt de trein door de berookte boog
om in het duister met mij heen te jagen.

Dit is het einde van mijn aardse plagen
het schaars geluk dat spiegelde en bedroog,
het ongeluk dat immer zwaarder woog,
ik hoef ze beide langer niet te dragen.

Mijn leven was gelijk een dag van Leugen,
wat bleef er van in mijn verzwakte geheugen
dan het verlangen naar een beter lot?…

Mijn moede voet stijgt langs de lutt’le treden,
de Leugen lacht mij toe, maar beneden:
ik reis gerust, – de Waarheid is bij God …

 

François Pauwels (1888-1966)

donderdag 5 maart 2026

 

donderdag

5

maart

 

Faltonia Betitia Proba (ca. 315-360), stamde uit een vooraanstaande Romeinse familie. Ze bekeerde zich tot het Christendom en gaf uiting aan haar nieuwe geloof door de belangrijkste verhalen uit het Oude en Nieuwe Testament na te vertellen in verzen die ze ontleende aan het oeuvre van Vergilius. Ze werden vertaald en ingeleid door Mieke de Vos, onder de titel “De gouden bron. De Bijbel in verzen van Vergilius”. Het onderstaande vers beschrijft de eerste periode vlak nadat Eva en Adam uit het paradijs zijn verdreven.

 

Nieuwe straffen voor de mensheid

De Vader maakte toen de beet van slangen giftig,
ontnam de mens het vuur en de honing uit de bomen,
Hij liet de wolf op mensen jagen, verhief de zee,
niet langer stroomden beken over van zoete wijn.
Daarna bezocht Hij het graan met ziekte, aren zwart
van roest, een mislukte oogst, overal heerste honger.

Het vangen van wild met lijm en vallen is toen bedacht.
In harde tijden heerste nooddruft op de velden,
en zette de zorg om het bestaan het hart op scherp.

Geleidelijk aan verzwakt de mensheid, verschiet van kleur,
het ijzeren geslacht verscheen op de harde aarde,
gevolgd door blinde strijdlust en liefde voor bezit.
Wat restte was een wereld zonder een spoor van recht.
Het duurt niet lang of woede en drift verjagen de rede:
het bloed van je broer vergieten, dat verschaft pas vreugde!
De rijken begroeven hun goud en bleven er op broeden,
de armen kregen medeleven noch een helpende hand.



Proba (ca. 315-360)
uit: De gouden bron (Damon, 2025)