donderdag
5
maart
Faltonia Betitia Proba (ca. 315-360), stamde uit een
vooraanstaande Romeinse familie. Ze bekeerde zich tot het Christendom en gaf
uiting aan haar nieuwe geloof door de belangrijkste verhalen uit het Oude en
Nieuwe Testament na te vertellen in verzen die ze ontleende aan het oeuvre van
Vergilius. Ze werden vertaald en ingeleid door Mieke de Vos, onder de titel “De
gouden bron. De Bijbel in verzen van Vergilius”. Het onderstaande vers
beschrijft de eerste periode vlak nadat Eva en Adam uit het paradijs zijn
verdreven.
Nieuwe straffen voor de mensheid
De Vader maakte toen de beet van slangen giftig,
ontnam de mens het vuur en de honing uit de bomen,
Hij liet de wolf op mensen jagen, verhief de zee,
niet langer stroomden beken over van zoete wijn.
Daarna bezocht Hij het graan met ziekte, aren zwart
van roest, een mislukte oogst, overal heerste
honger.
Het vangen van wild met lijm en vallen is toen
bedacht.
In harde tijden heerste nooddruft op de velden,
en zette de zorg om het bestaan het hart op scherp.
Geleidelijk aan verzwakt de mensheid, verschiet
van kleur,
het ijzeren geslacht verscheen op de harde aarde,
gevolgd door blinde strijdlust en liefde voor
bezit.
Wat restte was een wereld zonder een spoor van
recht.
Het duurt niet lang of woede en drift verjagen de
rede:
het bloed van je broer vergieten, dat verschaft
pas vreugde!
De rijken begroeven hun goud en bleven er op
broeden,
de armen kregen medeleven noch een helpende hand.
Proba (ca. 315-360)
uit: De gouden bron (Damon, 2025)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten