vrijdag
9
Januari
Week van de
vertalingen
Gallipoli 1915/16
Je leeft er op los, je
bestaan is een feest.
Van kust tot kust gaat er je
weg door het leven,
Geen storm houdt je tegen,
je wendt nooit de steven
Want rondom jou is het
steeds party geweest.
Dan daagt plots je noodlot,
’t getal van het beest.
Het leger staat jou en je
maten te wachten
Die never en nooit aan hun
toekomst zelfs dachten:
Hun zingen, hun dansen, dat
telde het meest.
De legerband speelt zijn
opzwepende marsen
Het schip steekt van wal.
Menigeen laat een traan.
Gallipoli-waarts dus, de
strijd komt er aan.
De wind doet het zand in de
loopgraven knarsen…
Nooit zal ik vergeten die
vrees’lijke dag
Ons bloed kleurde zand, gras
en zelfs het water
De velden rond Suvla Bay
leken een krater;
Geschreeuw en gekrijs, ’n
hysterische lach.
Weer slaat een granaat in
met keiharde slag.
Ik voelde een klap, alles om
me werd rood.
Een dag of wat later wou ik
het liefst dood
En teruggaan naar huis, in
een kist met een vlag.
Ik dans nimmer meer op
opzwepende marsen,
Ook zal ik nooit meer op
verkenningstocht gaan.
Gallipoli,einde van heel
mijn bestaan
Mijn kunstbeen stopt niet
met zijn klagelijk knarsen.
Het schip steekt van wal, de
gewonden aan boord
Een schip vol met kreupelen,
mismaakte helden
Die kunnen nu niets meer dan
tieren en schelden
Je hoort veel geweeklaag, en
geen troostend woord.
De dagen die gingen, de reis
duurde voort.
Men keek naar de plek waar
nog niet lang geleden
Er twee benen zaten, nu word
ik gemeden.
Ik wou liever toch, dat ik
daar was gesmoord.
De legerband speelt zijn
opzwepende marsen
Ze duwen mijn rolstoel . Dat
is me een baan!
Men vindt ons zo zielig, ‘k
laat hen in die waan
Al hoor ik mijn kunstbeen
weer piepen en knarsen.
Tekst: Eric Bogle
Bewerking: Frans Woortmeijer