zondag 27 april 2014

Zondag

27

april

De nagloed van de zon


De nagloed van de zon
De adem van het duister
En boven mij, sereen
Het Zuiderkruis

Ik zit op mijn balkon
En ben alleen, en luister
Naar dromen om mij heen
Hier ben ik thuis

Ik kwam uit Nederland
En woon er later weer
Vertrouwd gebied

Maar die volmaakte band
Die godenpracht, die sfeer

Daar zijn ze niet
Uit: Album van de Indische poëzie
Drs P

vrijdag 25 april 2014

Vrijdag
25
April

Ik Groet U

Ik groet u, buurman, kameraad,
Ik groet u, orgelman, soldaat,
Besteller, boer en bedelaar!
Ik groet u, blinde vedelaar!

Ik groet de honden op de straat
En 't paard dat voor de broodkar gaat.

Ik ben als gij,— ook ik bemin
Een vrouw, een kind, wat aardsch gewin—
Gejaagd, gedeukt en toch nog even
Gebrand op dit onzalig leven.


    Jan Greshoff (1888-1971)

zondag 20 april 2014

Zondag

20

April

140 pond


Ik ben Van Hattum en ik weet,
dat 140 pond zo heet,
maar dat de naam direct vervalt,
als het leven wijkt uit de Gestalt.

Dan ligt, onder de naam van lijk,
die honderdveertig pond te kijk;
Gij zijt bij het défilé misschien:
alleen ik zelf zal het niet zien.

Da’s vreemd: ik zie, wat Gij niet ziet;
wat Gij dán ziet, zie ik weer niet.
Enfin…; de honderdveertig pond
is nog springlevend en gezond.

- En ik geniet graag ‘s levens gunst
én om mij zelf én om de kunst -

hoe meer ik drink, hoe meer ik eet,
hoe meer gewicht Van Hattum heet.

Jac. van Hattum (1900-1981)

donderdag 17 april 2014

Donderdag

17
April

Dichterschap

Is dit genoeg: een stuk of wat gedichten,
Voor de rechtvaardiging van een bestaan,
In ' t slecht vervullen van onnoozle plichten
Om den te karigen brode allengs verdaan ?

En hierom zijn der op een doel gerichten
Bevredigende dagen mij ontgaan;
Hierom blijft mij slechts zelf en lot betichten
In zicht van' t eind der onherkeerbre baan.

Van al de dingen, die 'k in dromen zocht-
Erger: van alle, die ik wèl vermocht,
Is, nu hun tijd voorbij is, niets geworden.

En ik kan zelfs niet, als mijn onbevreesd
Erkennen mij verwijst naar de verdorden,
Aanvoeren: maar mijn bloei is schoon geweest

J.C.Bloem (1887-1966)

zondag 13 april 2014

Zondag
13
April

Duizend jaar poëzie

De poëzie van duizend jaar, een hoop.
Het lezen kan wel menig jaartje duren.
En lang niet alles is er meer te koop.
Maar soms kun je het lenen bij de buren.

Het lezen kan wel menig jaartje duren,
Want lang niet alles is er meer te koop:
De Beatrijs, beslist geen sinecure,
Hierbij biedt zelfs de Slegte weinig hoop.

Nee, lang niet alles is er meer te koop!
Valerius of Poot, dat soort figuren.
Voor Vondel is nog steeds een biotoop
En P.C.Hooft ligt binnen Komrij’s muren.

Dan Bilderdijk, dat was me toch een zure,
Een dominee, een ware misantroop.
En Tollens laat zich nauw’lijks nog verduren:
De poëzie van duizend jaar, een hoop!

De Bruid van Prins staat op een kussensloop,
Maar Gorters Mei heeft thans niet meer allure.
De poëzie van duizend jaar, een hoop.
Het lezen kan wel menig jaartje duren!

Er zit niets anders op: een beetje sturen.
De poëzie van duizend jaar, een hoop.
Het lezen kan wel menig jaartje duren!
En lang niet alles is er meer te koop.


Frans Woortmeijer

vrijdag 11 april 2014

Donderdag

10
april

Op weg naar de Bemuurde Weerd

(Een herinnering)


Zo hebben wij het vroeger toch geleerd:
Bij Zuilen stroomt de Vecht pas Utrecht binnen
En prikkelt daar onmiddellijk je zinnen:
De botenhoeren worden hier vereerd.

De weg wordt in een sluipcircuit gekeerd.
Hier rijden mensen die graag willen minnen,
Die stiekem gauw nog even zijn gaan pinnen.
Het nette volk wordt hier bepaald geweerd.

Zo anders is het hier dan op de Wallen,
Op Katendrecht of n’importe welke buurt.
Toch vind ik deze opzet wel bevallen.

Hier wordt in stilte heel wat afgegluurd.
Hier pronken nog de trotse pronte ballen…
…Gauw verder naar de Weerd, die werd bemuurd!

Frans Woortmeijer

zondag 6 april 2014

Zondag
6
april

Vrede

De aarde is zo juist heilig verklaard  
Zij heeft al haar oude wonden vergeten,
haar onvolkomenheden, en haar veten,
en t andere waarmee zij was bezwaard.


De stormen die haar arme creaturen
somtijds sidderend moeten doorstaan,  

de blakringen die zij moeten verduren,

t lijkt alles uit een duister voorbestaan.

Het gelijkt een sage van langgeleden
tijden vol verschrikking, vol wild gerucht;

toen nog gene hemelse zwanen gleden
door de tedere kom der blauwe lucht.

Werd eindlijk vervuld een aloude bede?
Droeg de Boom-van-t-Verlangen eindlijk vrucht?




Henriette Roland Holst-van der Schalk (1869-1952)
uit: Verworvenheden (1927)

Met dank aan Krupke voor een nieuw, mij onbekend gedicht van HRH