zondag 1 juni 2014

Zondag
1
juni


Bij gelegenheid van ons bezoek aan de abdij van Tongerlo, België

Psalm 150

Loof hem met trommels,
Bazuinen en hoorngeschal,
Loof hem met snaren,
Met fluit, breng hem eer.

Loof thans zijn daden, zijn
Multi-oneindigheid,
Breng, al wat adem heeft,
Lof aan de Heer.

Frans Woortmeijer

(uit: 150 Psalmen in light verse)

woensdag 28 mei 2014

Donderdag

29

Mei


Bij gelegenheid van ons bezoek aan de abdij van Tongerlo, België


Psalm 8

Zie ik de hemel,
Het werk van des Heren hand,
De maan en de sterren
Staan stil in een boog.

Wat is een sterveling?
Godwelgevallige?
Wat is een mensenkind
Nou in uw oog?

U schenkt hem glans,
Hebt hem bijna tot God gemaakt.
Hij is vertrouwd
Met het werk dat u doet.

Schapen en geiten en
Steppenbegrazenden,
Vissen en vogels
Legt u aan zijn voet.
Frans Woortmeijer
(uit: 150 Psalmen in light verse)

zondag 25 mei 2014


Zondag

25

mei

Een ode, lieve Godelieve

Als ik in het huis van vader
Dat eerst van mijn ouders was
Door de fotoalbums blader
Met mijn weemoed als kompas
Valt iets op dat alle jaartallen verbindt
Want je kijkt op elke foto naar het kind

Alle beelden van jouw leven
Die ik speurend tegenkom
Zijn van kinderen vergeven
Tonen prachtig aan waarom
Jij als moeder en als juf zo werd bemind
Want je kijkt op elke foto naar het kind

Je wil al je aandacht schenken
Aan de koter op je schoot
En ik hoor je bijna denken:
‘Is dat jasje niet te groot?
Zit het mutsje goed met deze koude wind?’
Want je kijkt op elke foto naar het kind

Met een klapzoen op de wangen
Of een aai over de bol
In een sluitertijd gevangen
Eeuwig in de moederrol
En voor fotografen was je blijkbaar blind
Want je kijkt op elke foto naar het kind

Kon je nu maar naar me kijken
Nog één keer, op die manier
En je liefde laten blijken
Ook al komt het van papier
Maar ik vrees dat ik je ogen nergens vind
Want je kijkt op elke foto naar het kind

Met een onvervuld verlangen
Gaan de albums in de kast
Maar ik laat het hoofd niet hangen
Blij en dankbaar stel ik vast
Dat jouw blik in mijn geheugen is geprint
Want ik was op al die foto’s vaak het kind


© Theo Danes
http://www.theodanes.nl/

donderdag 22 mei 2014

Donderdag
22
Mei

De Gingginger

In een woud hier ver vandaan
leeft een schepsel, heel alleen.
Hij kan rollen, maar niet staan,
heeft geen been, geen voet, geen teen.

Oh, wat moet hij eenzaam wezen,
deze purperen gingginger,
die niet eens een boek kan lezen
want hij heeft geen hand, geen vinger.

'k Heb zo'n meelij met het dier,
maar dat woud is ver van hier.

Voor zijn achteroverneven
(heel gelijkend, maar wel groen)
die in onze streken leven
kan ik echter wél iets doen!


Hen verzorgen is een pretje,
zie ze soezen in de lommer.

Ik bereid hun vinaigretje
want ik hou zo van komkommer.

Vera de Brauwer

zondag 18 mei 2014

Zondag

18

mei

Wee de arme Snotterwokkel
die het niet gesnopen heeft.
(Hij kan het aan de Frokkel vragen
maar dat vindt hij onbeleefd.)

‘Waarom ben ik ooit geboren?
Wie verklutste toch mijn struif?
Waarom heb ik sprokkeloren
en een krakel in mijn kuif?

Waarom is er herfst, en haring?
Waarom lust ik geen hachee?
En waar vind ik een verklaring
voor het golven van de zee?

Waarom moet het altijd zachter,
waarom roept men dat ik stoor?
Waarom kom ik nergens achter?
Waarom kom ik nergens voor?

Waarom moet ik altijd huilen
als ik een komkommer zie?
Waarom kan ik nergens schuilen
voor het Grote Potverdrie?

Alles is zo ongewokkeld,
alles is zo ongewis
als je schoenen zijn versokkeld
en je vuist een vlakgom is.’

Ach, die arme Snotterwokkel.
Hij snuit zijn snufferd in zijn staart
en gumt zichzelf volledig van de kaart.

(Of dat nou echt nodig was?
Ik kan het aan de Frokkel vragen
maar dat lijkt me ongepast.)

 Judy Elfferich
(Uit Er zit een feest in mij, Querido’s Poëziespektakel 5, 2012 )
Donderdag

15
Mei



Ik heb een wijkplaats in uw hart gevonden,
Daar weet ik mij beveiligd en bevrijd,
En voel ik nog de pijn van oude wonden
Dan druppelt troost van uw aanwezigheid.

Het schijnt bepaald dat wegen elkaar kruisen
En de aarde elken dag opnieuw begint;
Uw stem voert mij naar ’t onweerstaanbaar ruisen
Van hoge bomen in een zoele wind.

Gij hebt een macht de wereld te doorstralen
En ’t is of ik betreed een jong gebied,
Waarin ik hoor de bloemen ademhalen
En gij mij nadert als een levend lied.





H.W.J.M. Keuls (1883-1968)
uit: Achterwaarts (1962)

zondag 11 mei 2014

Zondag

11
mei


‘k Leerde, de dagen zijn wat wij ze maken;
Zij komen tot ons, ongevormde klei;
Zij komen als wolken hoog boven daken
Aandrijvend en gaan als wolken voorbij.

Hier, neem “Vandaag” in uw kloppende handen
Armzalig is hij, leelijk, vaal en grauw;
Beitel voorzichtig aan zijn stompe randen,

Meng door zijn vaalte een druppel hemelsblauw.




De eerste strofe van dit gedicht vond ik boven aan een rouwadvertentie. Via een oproep op Facebook kwam ik via Niels Blomberg aan de tweede strofe en de mededeling, dat het totale gedicht een sonnet is.
Maar dat was niet helemaal juist. Beide strofen maken deel uit van "de Voorzang", een 25 coupletten tellend gedicht als inleiding op de bundel "Vernieuwingen" uit 1929, die verder overigens uitsluitend uit sonnetten bestaat. Het gedicht stamt uit de tijd dat Roland Holst haar Socialisme inruilde voor een sociaal Christendom.

Mijn idee is dat het gedicht, na een sprankelend begin langzaamaan inzakt: het is veel te lang. Toch wil ik het jullie niet onthouden. Oordeel zelf.

Wat ik wel grappig vind is, dat zowel Niels Blomberg, die echt wel iets van poëzie af weet, als ik, zonder meer dachten, dat bovenstaande twee kwatrijnen deel uitmaken van een sonnet, terwijl ze in het gedicht waartoe ze behoren niet eens als coupletten na elkaar komen. Zo moeilijk blijkt poëzie dus te zijn, of nemen wij poëzie niet serieus...?

Henriëtte Roland Holst (1869-1952)


Voorzang



Zij zeggen, dat de kans op bevrijding verloren
is, onherroepelijk voor dit geslacht;
en dat het avond is en dat het nacht
moet worden eer de nieuwe dag kan gloren.

Zij zeggen, “nu de voorhoede verslage’ en
uiteengedreve’ is door makkers verraad,
valt er niets te doen dan door grauwe dagen
de vonk hoeden, tot weer het vuur opslaat”,

“niets dan den wil hoeden in ’t hart en maken
dat hij bereid blijft, als een strijdbaar held,
tot het zich opricht op den dag der wrake,
en haat met haat, en kwaad met kwaad vergeldt.”

Zij zeggen ’t wit van hartstocht; zij herhalen
’t op onverbiddelijk ijsharden toon, -
maar ik weet dat zij die zoo spreken dwalen:
mijn hart verliet hen en zocht andre woon.

Laat heb ik ’t begrepen – niet te laat
Goddank: er zijn nog onverbruikte krachten
in ’t hart; uit diepten stijgen nog gedachten
omhoog, zij het dan in langzamer maat.

‘k Leerde, de dagen zijn wat wij ze maken;
zij komen tot ons, ongevormde klei;
zij komen als wolken hoog boven daken
aandrijvend en gaan als wolken voorbij.

Maar niet eer ze door ons hebben gekregen
- door onzen geest, door onzen wil, door onze hand –
hun vorm, niet eer wij hun zielen beschreven
met gouden spreuke’of taal-uit-kinderland.

O makkers, wij behoeven niet te wachten,
om te griffe’in der dagen maagdlijk lijf,
des harten droom, ’t vizioen der Heilsgedachte;
tot aan den dag van’ t heroïsch bedrijf.

Hier, neemt “Vandaag” in uw kloppende handen:
armzalig is hij, leelijk, vaal en grauw;
beitelt voorzichtig aan zijn stompe randen,
mengt door zijn vaalte een druppel hemelsblauw.

Giet door zijn lippe’ een teug van uw verlangen
naar méér broederlijke gerechtigheid;
blaast koesterend over zijn vale wangen
uw adem van liefde en zekerheid.

Ziet, uit verten kwam hij aangedreven
en scheen een klompje doffe grauwe pijn; -
en nu ziet in zijn oogen schuchter beven
de voorglans van vreugden die zullen zijn.

Eén dag, een zandkorrel oneindigheid…
Eén mensch, met zijn wil, zijn eerlijke handen…
iets groens ontkiemt aan deze dorre landen,
er breekt licht door des levens donkerheid!

“Morgen” dreef aan en werd aandrijvend “Heden”,
bood zich des vormers hand gewillig aan, -
kwam schooner, glanziger daaruit gegleden
dan “Gistren” was… Wanneer we dit verstaan,

dat elk morge’ op zijn vleugels heeft geschreven
iets schoons, als wij gistren goed zijn geweest, -
dat elke arbeid aan ‘t kleine stukje leven
feestlijker maakt het komen levensfeest, -

o makkers, wanneer dit geloof geworden
ons leven is, niet enkel onze vlag, -
dan peinst geen onzer meer, hoe de nieuwe orde
zal komen, als vrucht van den “grooten dag”; -

maar élke dag staat vóór hem, in het teeken
van groot gebeuren en élken dag groet
hij, als wie leerde in d’oude woorden spreken
van ’t geloog, het “Gods Moeder” doet.

Elken aanvarenden ontvangt hij, moedig
en toch ootmoedig, schuchter en toch blij:
“Wees gegroet, kind der eeuwigheden, spoedig
zélf eeuwigheid, zoals óók wij”.

“Ave, moeder van komende geslachten,
schooner dan deze zijn, óók door zijn daad”;
vertrouwend stort hij zijn levende krachte’ in
den wordende die verder gaat.

En met hem heffen Andre blijgezinden
samen den sterken lofzang aan;
de dagen drijven aan, de welbeminden,
boven hen rumoeren de groote winde’en
vertouwend wordt aan elken ’t werk gedaan.

Ik zing den goeden wil, die zegeviert
over het krampachtig felle streven
der zelfzucht; den zuiv’ren, die door de dreven
des levens als een witte vlinder zwiert.

“Zij zijn hard”, - “Zoo laat ons barmhartig wezen,
opdat hun hardheid moge allengs vergaan”…
“En hoogmoedig”, - “Zoo laat deemoed staan
in ons oog en op ons voorhoofd te lezen”…

“Zij zijn het gewend, levens te breke’ als
dor hout, in razende begeerlijkheid”…
“Zoo laat ons zorgvuldig de levens kweeken,
die ’t leven opwaarts dragen door den tijd.

Van vele willingen om strijd bevlogen,
beurtlings gebeukt door tegenstrijd’ge winden, -
strevend altijd den goeden koers te vinden,
vertrouwend altijd, en altijd bedrogen

in het vertrouwen dat hij was gevonden,
en dan weer zwenkend op Gods wijde wat’ren, -
hoe zal dit hart voortleven voor de lat’ren,
dat werd om te zoeken op aard gezonden?

Hoe zullen alle harten, die graag waren
Opgenomen door een grooten wind,
Die er niet was, verschijne’ in lat’re jaren,
Wanneer het tij vol is, dat nu begint?