donderdag 20 november 2014

Donderdag
20

november

Wat niet is uit te staan 

Geur van ingemaakte kropsla:
Rijmend proza; slappe thee;
Vorken met een haringsmaakje
Op een uitgezocht diner;

Een bon mot, dat, niet begrepen,
Uitleg of herhaling eist;
Van uw goed te zijn verstoken,
Als gij voor genoegen reist;

In de kerk, in Januari,
Bij abuis uw stoof niet warm;
Als gij worsten denkt te stoppen,
Heel veel gaten in de darm;

Met de steel van 't armenzakje
Tikken op uw beste hoed;
En - een hand, die niet gedrukt wordt,
Zo trouwhartig als gij 't doet;

Door een lamme declamatie
Echte poëzij misvormd;

Door de Torenstraat te moeten
Met een paraplu als 't stormt;

Weggesleept in luistrende aandacht
Door een sprekers dichtervuur,
Tot de werkelijkheid ontwaken,
Door het geeuwen van uw buur.

Wijde veel te wijde duimen
In privat's, zo pas gekocht;
Op 't restant van 't feest van gister
Morgen u te zien verzocht:

Bij 't met ernst en eerbied uiten
Van een naam geliefd, beroemd,
Uw naiëf te horen vragen,

'Ei, wie is 't, die gij daar noemt?'

Complimenten aan te horen,
Niet verdiend en niet gemeend;
En – een vingerhoed met gaatjes
Dien gij van een kennis leent;

‘t Carillon des maandagsochtends,
Vrijdagmorgens bovendien,
Ingesteld in oude dagen,
Tot vermaak van ‘k weet niet wien;

Naaiwerk, thuis gestuurd, doortrokken
Met een geur van zoutevis
Was opdoen met winterhanden
Als het goed bevroren is;

Heren die de typen stelen
Uit het prachtwerk Nederland,
En voor zich een lofspraak oogsten,
Die behoorde aan Hildebrand;

Vlugge rijdsters bij Franconi,
Hupplend over vlag bij vlag;
En wier glimlach schijnt te vragen,
Of men ooit iets fraaier zag?

Harten, die niet sneller kloppen
Bij het schoon wien Neerlands bloed!
Lippen die gesloten blijven
Waar dat lied zich horen doet;

Rolpens in ‘t begin van juni
Onuitspreeklijk zout en hard;
Iemand met een neusverkoudheid
Naast u zittend op ‘t concert;

Zonneschijn en zomerwarmte
Als gij op een stoomboot wacht;
En in ‘t eind: de lof der zotten
Openlijk u toegebracht!




Albertine Kehrer (1826-1852)


zaterdag 15 november 2014


Zondag
16
November

Lesbia's musch

Aan Catullus

Hem is een plaats gereserveerd,
Vanwaar geen musch ooit wederkeert,
En waar een deugdzaam musschebeest
In heerlijkheid den Koran leest,

De god der musschen is een musch.
Hij draagt den naam Herodotus.
De aarde is schoon rond en groot,
Een simpel stokje voor zijn poot.

Herodotus is goed en mild.
Hij is der musschen zon en schild.
Terwijl hij zelf den hals afknaagt,
Van elke musch die zich misdraagt.

Maar wie Herodotum vereert
Krijgt wormen met cognac besmeerd.
Tjilpt dus in blijden jubilo
Tot eere voor Herodoto.

Doch elke musch, die steelt en liegt,
En langs den weg der zonde vliegt,
Komt daar, waar in de duisternis,
Gepiep en snavelknarsing is.

Daar is het leven droef en bar.
Daar heerscht de booze Potiphar,
Hij lijkt, al is zijn houding fier.
Niet op een musch, maar op een dier.

Eens vloog hij vlug en blij als wie
voor 't aangezicht Herodoti.
Hij werd behandeld als een zoon.
Een gouden dasspeld was zijn troon.

Doch met het voortgaan van den tijd
Kwam in zijn hart hoogmoedigheid.
"Ben ik", zoo dacht hij, "niet aldus
veel grooter dan Herodotus?"

"Kijkt, musschen", zei hij, "met mijn vlerk
bedijk ik aarde, zee en zwerk".
Hij deed zijn vleugels van elkaar,
Maar het was heelemaal niet waar.

Herodotus heeft hem gepakt,
En in een poel met vuur gekwakt.
Dat dreigt de musschen allemaal,
Als het hun mangelt aan moraal.

Maar 't musschedier van Lesbia
Komt eeuwig in de gloria.
Hij noemt Herodotus zijn pa
en tiereliert van hopsasa.




G.W. Putto (1912-?) 

donderdag 13 november 2014

Donderdag
13
November


De beukenboom

Op zomaar ‘n grijze, doordeweekse dag
omfloerst de mist de hoge beukenboom
en houdt de bont-getinte bladerdroom
gevangen in haar hand met mild gezag.

Voorzichtig maakt een zonnestraal gewag
van licht en warmte die de levensstroom
in tak en wortel stuwen, zonder schroom:
dan straalt de tooi die eerst in nevel lag.

Inmiddels is het beeld mij heel vertrouwd;
het is al vaak een stille troost geweest.
Wanneer de weemoed mij gevangen houdt

dan haal ik mij die boom weer voor de geest
en zie dan voor me hoe het zonnegoud
het blad betovert tot een kleurenfeest.


Hendrikje de Koning
(geïnspireerd door The Daffodils, van W. Wordsworth)

zaterdag 8 november 2014

Zondag
9
November

I Wandered Lonely as a Cloud

I wandered lonely as a cloud
That floats on high o'er vales and hills,
When all at once I saw a crowd,
A host, of golden daffodils;
Beside the lake, beneath the trees,
Fluttering and dancing in the breeze.

Continuous as the stars that shine
And twinkle on the milky way,
They stretched in never-ending line
Along the margin of a bay:
Ten thousand saw I at a glance,
Tossing their heads in sprightly dance.

The waves beside them danced; but they
Out-did the sparkling waves in glee:
A poet could not but be gay,
In such a jocund company:
I gazed—and gazed—but little thought
What wealth the show to me had brought:

For oft, when on my couch I lie
In vacant or in pensive mood,
They flash upon that inward eye
Which is the bliss of solitude;
And then my heart with pleasure fills,
And dances with the daffodils.


WILLIAM WORDSWORTH (1770-1850)

vrijdag 7 november 2014


Donderdag


6

november



zij had een heel klein handje om te slaan

met zeven gouden vingers en een watermerk – 
een handje adem voor een glazen kerk – 
en zeven kleine voetjes om te staan.



zij had een hoofdje als een nachtcitroen
en vleugeltjes als een bevroren ruit –
haar haren waaiden voor haar voetstap uit
(zij was er steeds; was ze een visioen?).



zij had een heel klein handje om te slaan
en zeven mondjes om het daglicht uit te blazen,
zij had een mei-lichaam waarom een glazen
stolp. zij had een maan-lichaam bij volle maan.





Neeltje Maria Min (1944)
uit: Voor wie ik liefheb wil ik heten (1966) 

zondag 2 november 2014


Zondag


2

november


Ik zie de wilde vogels huiswaarts keren,
verlangend naar het einde van hun vlucht.
Hun V trekt fier door frisse najaarslucht,
het zachte avondrood op witte veren.

De aardse strijd kan hen niet langer deren;
ze reizen, onverstoorbaar, onbeducht,
hoog boven ieder dorpje, elk gehucht,
om in hun verre haven aan te meren.

En onverwacht ben ik niet langer bang
want ik ontwaar een onmiskenbaar spoor;
het voert voorbij de dood en wenkt al lang.
Het fluistert, zachtjes troostend, in mijn oor:
“Wees niet verdrietig om de laatste gang,
de reis gaat immers na het heengaan door!”


(In september 2014 geschreven onder pseudoniem Hanneke van Almelo)

donderdag 30 oktober 2014

Donderdag

30
oktober


DE NIEUWE OOSTER

De meeste bomen zullen ons hier overleven

tot ook hun ruisen in de eeuwigheid verstomt

en zij hun troost voor iedereen die na ons komt

onder hetzelfde juk, niet langer kunnen geven.



Soms ritselt nog het gras zowat vergeten namen

voor wie ze horen wil, al zeggen zij niet meer

wat zij ooit zeiden, maar wat ons een oogwenk weer

beseffen doet, waarom wij als tevoren kwamen



naar deze tuin die aan herdenken is gewijd:

het even stilstaan bij het doorgaan van de tijd.


Jan Boerstoel