vrijdag 4 september 2015

Vrijdag

4

september

Voorrang des Slaaps

De zuigling kent nog niet
Den wyn: de gryzaart kent
Niet meer 't genot der min:
De jongling proeft en kwynt:
De man slechts drinkt en mint.
Maar allen kennen ze,
Genieten ze den slaap.
Ik sliep gewiegd, als kind:
Ik sliep, als jongeling:
Thans slaap ik als een man:
En zal, zo 'k hoop, eenmaal
Als gryzaart slaapen. En,
Welk blyd vooruitgezigt!
Ik zal een' langen nacht
Ten laatste slaapen in 't
Gemakkelyke graf.





O.C.F. Hoffham (1744-1799)
uit: Proeve van slaapdichten (1784)

zondag 30 augustus 2015

Maandag

31

augustus


Vragen aan de dood


waar was je, Dood, toen ik je nodig had
als joch van tien tot God daarboven bad
je alstublieft nog deze nacht te sturen
een eind te maken aan mijn droeve uren

de hemel, daar zou niets dan vreugde zijn
dat wist ik vast, al was ik nog zo klein
mijn oudste broer had dat zo vaak gezegd
de dag nog voor zijn sterven uitgelegd

en, Dood, waar was je al die zwarte dagen
waarop de pijn te groot was voor mijn brein
waarop ik echt mijn wanhoop niet kon dragen

en waarom maak je, nu het leven lacht
de zon er dag en nacht wel lijkt te zijn
zo zonder mededogen op mij jacht?

Jacob van Schaijk

vrijdag 31 juli 2015

Vrijdag

31

juli

Ik ben verheerlijkt opgerezen
uit ziedende olie en nijdig pek:
nu zal ik eeuwig heilig wezen,
                       en zonder vlek;

nu mag ik witte kleed’ren dragen
en tartend trappen op spijt en spot;
de zwarte dwergjes zullen vragen:
                       is hij God?




M.B. Ledegouwer (1895-1914)
uit: Heoos, dit is een boek van jeugd (1912) 

dinsdag 21 juli 2015

Dinsdag

21

juli


Wat hebt gij van uw dronkenschap bewaard?
Een lamp, die kwijnt; een oog, dat nederstaart.

Wat werd er van den storm, dien gij bestondt?
Een dolend blad, dat nog zijn rust niet vond.

Wat heeft de liefde in uw hart gedaan?
Zij deed mij 't leed der eenzamen verstaan.

Wat bleef van allen glans, die langs u ging?
Niets dan een zingende herinnering.




H.W.J.M. Keuls (1883-1968)
uit: Om de stilte (1924)

maandag 6 juli 2015

Maandag

6

juli

De zomers

Klaprozen, korenbloemen, barstensvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.

Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.

Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.

Kees Stip (1913-2001)

Uit: Au! De rozen bloeien; sonnetten van bedreigd geluk, 1983.

maandag 1 juni 2015




Zondag

31

mei


Eenmaal in de achttien dagen 

kruipt de Grumpel uit de grond 
om aan de Raburp te vragen 
waar de bus stopt naar Roermond. 
De Raburp pakt dan een takje 
en gaat zitten op zijn kont, 
en hij schetst op zijn gemakje 
in het zand een plattegrond. 
Alle haltes, alle lijnen 
van de trein, de tram, de pont 
ziet de Grumpel daar verschijnen 
en hij kijkt met open mond. 
‘Doei!’ hoort hij dan plots. ‘De groeten, 
enig om je te ontmoeten, 
veel plezier straks in Roermond 
met je broer en zeven zussen!’ 




Zoekend blikt hij in het rond: 
de Raburp is ervantussen, 
maakte vlot zich uit de voeten 
naar een verre horizont. 
‘Hela, je vergeet de bussen…’ 
zegt de Grumpel met een frons 
maar er reageert geen hond. 
Dus hij antwoordt binnensmonds: 
‘Nou, tot over achttien dagen!’ 
en hij gaat weer ondergronds. 
(Soms voelt hij de boel bewegen 
als er boven hem een lege 
bus voorbijscheurt naar Roermond.)

Judy Elfferich

dinsdag 24 maart 2015


Woensdag

25

maart


Wie het weet mag het zeggen

Vertel mij eens, wat is nu poëzie,
ik zou het alle donder echt niet weten.
In elk geval is het geen causerie
want daarvoor is de luim te schraal bemeten.

Is het soms letterkundige magie
wat dichters produceren aan excreten?
Vertel mij eens, wat is nu poëzie,
ik zou het alle donder echt niet weten.

Misschien is het een vlaag van agonie
waarin de dichter koortsig en bezeten
de strofen schrijft die louter door estheten
begrepen zijn als schone woord-chemie.
Ík zou het alle donder echt niet weten.


Adriaan van Dam