woensdag 16 september 2015

Woensdag

16

september

Vluchtelingen

My Lai. Hij zit nog diep in mijn geheugen
Die foto van dat naakte, schreeuwend kind
Die mij dan met het heden weer verbindt
IS, Irak en heel die grote leugen



Nog steeds willen de mensen maar niet deugen
Daarom zijn er miljoenen op de vlucht
En in Europa weert men zich geducht:
De taal is goed, de opvang wil niet vleugen

Dan zie ik nóg een foto in mijn geest
Een jochie van wellicht een vijftal jaren
Daar op dat strand, daar bij die zachte baren
Waarom, mijn god, is hij daar ooit geweest…?


Na eeuwen heeft de mens nog niets geleerd
Door godsdienst of veel geld nog steeds verteerd
Frans Woortmeijer

uit: Bladerloze bomen

zondag 13 september 2015

Zondag

13

september


In memoriam: Kees Jiskoot

 

Dag broeder in de kunst en het geloof
Gereformeerd met knipoog steeds gebleven
Zong jij je psalm, een loflied op het leven
Voor dogma’s en voor zedenprekers doof

Dag dansend dichter, kundig woordensmid
Als arts en mens bekend met veel ellende
Zong jij lichtvoetig over heel die bende
Omdat in lachen soms iets helends zit

Dag broeder en dag vaderlijke vriend
Al kunnen we er niet meer in geloven
Ik wens je rust en, als het kan, Daarboven
Een ereplaats. Die heb je wel verdiend



Hendrik Jan Bosman

maandag 7 september 2015

Maandag

7

september


Bij een eindexamenfoto

Een Streber, jongens, strebt omdat hij streben moet. 

Want dat is zijn natuur: zo moet een bunzing stinken.
Bijbels: hij heeft zijn ziel verkocht voor werelds goed. 

Klassiek: hij zal zijn eigen vleugelpaard verminken.

Een Streber, jongens, strebt omdat hij streben moet. 

Mocht één van jullie ooit tot dàt bestaan verzinken 

mijn klas, die ik met Plato's Phaedros heb gevoed -
dan zie ik liever, dat hij eerlijk zal verdrinken.

Ik heb dat alles wèl nooit op het bord gezet.
Ik heb het je, uit schuwheid, nooit zozeer verteld. 

De ethica bleef steeds zwijgend verondersteld.

Nu word ik achteraf door dit verzuim gekweld. 

Mijn knappe klas ik zie met zorg naar je portret. 

Laat het niet nodig zijn. Vergeef mij dit sonnet.





Ida Gerhardt (1905-1997)
uit: Sonnetten van een leraar (1951)

zondag 6 september 2015

Zondag

6

september

Het geluk

Wat baat den stervling al zijn zwoegen?
    Wat noopt de waan hem vroeg en spaa?
Wat klimt hij 't lokkend schijngenoegen,
    Van rots tot rots, aamechtig na?
In 't eind op hachlijk steil verheven,
    O arme vreugd! hij staart in 't rond,
Om fluks weer naar een kruin te streven,
    Gezien van breeder horizont.

Een Dwaze hang', met gierige oogen,
    Aan roem, of magt, of goud, of eer;
Tevreen in 't lot haar toegewogen,
    Knielt stille Wijsheid dankend neer.
't Geluk is veil voor zweet noch zorgen;
    't Ontvlugt hem, die naar hooger staat;
Maar toeft, in 't schuilen dal verborgen,
    Als huisgenoot, bij middelmaat.





A.C.W. Staring (1767-1840)

zaterdag 5 september 2015

Zaterdag

5

september

De jonge zelfmoordenaar spreekt

Zes godsdiensten had ik doorgrond
en talrijke onzedige boeken gelezen
voor ik verliefd werd,
tot stervens toe,
op Maria Cools.
Zij wilde niet hooren van boedhisme of philosophie
maar sprak van mijn haar en mijn danstechniek.
Toen ik haar wilde vervoeren tot etherische extase
heeft ze mij ijsroom gevraagd.

Laast ge nooit hoe de Chineezen
hunne weerbarstige schuldenaars straffen?
Ik heb me op haar drempel gezelfmoord.
Zij was me oneindig veel verschuldigd:
zij had mijn geloof in dees aarde
ontstolen.





Marnix Gijsen (1899-1984)

vrijdag 4 september 2015

Vrijdag

4

september

Voorrang des Slaaps

De zuigling kent nog niet
Den wyn: de gryzaart kent
Niet meer 't genot der min:
De jongling proeft en kwynt:
De man slechts drinkt en mint.
Maar allen kennen ze,
Genieten ze den slaap.
Ik sliep gewiegd, als kind:
Ik sliep, als jongeling:
Thans slaap ik als een man:
En zal, zo 'k hoop, eenmaal
Als gryzaart slaapen. En,
Welk blyd vooruitgezigt!
Ik zal een' langen nacht
Ten laatste slaapen in 't
Gemakkelyke graf.





O.C.F. Hoffham (1744-1799)
uit: Proeve van slaapdichten (1784)

zondag 30 augustus 2015

Maandag

31

augustus


Vragen aan de dood


waar was je, Dood, toen ik je nodig had
als joch van tien tot God daarboven bad
je alstublieft nog deze nacht te sturen
een eind te maken aan mijn droeve uren

de hemel, daar zou niets dan vreugde zijn
dat wist ik vast, al was ik nog zo klein
mijn oudste broer had dat zo vaak gezegd
de dag nog voor zijn sterven uitgelegd

en, Dood, waar was je al die zwarte dagen
waarop de pijn te groot was voor mijn brein
waarop ik echt mijn wanhoop niet kon dragen

en waarom maak je, nu het leven lacht
de zon er dag en nacht wel lijkt te zijn
zo zonder mededogen op mij jacht?

Jacob van Schaijk