maandag 6 maart 2017


Maandag
6
maart



Ik zag een groot, wit veld met blijde scharen
Van groote bloemen, die op lange stelen,
Zich door het zoele windje lieten strelen,
En onbewust van eigen vreugde waren.

Ik zag ze rustig in het zonlicht staren,
En met de jonge zonnestralen spelen.
Ik zag het zoet gegolf dier bloemenbaren –
O! dat mijn hart die reine vreugde mocht deelen!

Dat ik die bloemenvreugd begrijpen kon,
Of wist, waarom de bloemen, die ik plukte,
Niet langer straalden in het licht der zon,
Maar angstig hoofdje tegen hoofdje drukten.

Was het de scheiding, die hen droef gemaakt had?
Of, dat een menschenhand ze aangeraakt had?


Jacqueline v.d.Waals (1868-1922)

maandag 27 februari 2017

Maanag
27
Februari

Lente

Het vogelkijn fladdert van klepper de klepper
tot meerdere glorie en eer van haar schepper
het kwinkeleert, fluit, hipt en hopt op en neer
dit alles tot lof van haar hemelse heer

Het danst op haar nestje alleen maar voor god
verdomme…, alwéér is een eitje kapot!


Rudy Menthère

zondag 26 februari 2017

Zondag
26
Februari

En eischt mijn God mijn hart voor zich alleen?

Jaloersche God! hoe naamt gij, éen voor éen,
De laatste vreugden, die mijn rouw nog had!
Zoo kil en donker wordt mijn winterpad.
De laatste gloor van avondrood verdween,
Aan ’t bruine struikhout bleef geen bloem, geen blad.
Ik zoek omhoog een ster – en vind er geen.
En eischt mijn God mijn hart voor zich alleen,
Mijn hart, dat eens tot lieven zich vermat?

   
Ik word gedreven door uw noodlotswind
En ‘k vind niet eens meer tranen voor mijn smart.
En weet gij niet dat uw geslagen kind
Niet kussen kan de roê, die sloeg zóo hard?
Zoo ‘k dof berust verg niet dat nog u mint
Dit door uzelf verbrijzeld liefdehart.

Hélène Swarth

zaterdag 25 februari 2017

Zaterdag
25
Februari


De sappige applen glansen

Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen ’t reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal.

Hélène Swarth (1859-1941)

donderdag 23 februari 2017

Donderdag
23
Februari

De Fantenkoning
 
Voorbij het land van Schorseneren
waar enkel maar de wind nog zucht
niet ver van de Slampampermeren
daar leven schepsels van de lucht
en in dat land van melk en honing
daar flierefluit de Fantenkoning

Wat valt er over hem te melden
hij houdt zich in het bos verschanst
en resideert in slaapbolvelden
alwaar hij louter lappen zwanst
en heel de dag de tijd verknoort
al heeft hij nooit van tijd gehoord

In bussels en langs waterkant
met niemendal in het verschiet
nut hij het niets, en dat constant
al pootjebadend in de vliet
de dagen dievend, en de nachten
met niks en noppes te verwachten

Van een ding weet hij wel van wanten
van duimendraaien wordt hij moe
de koning van het Land der Fanten
dus dekt hij zich met lummel toe
zijn muil gaat standje apegaap
voor een verdiende hazenslaap

Louise

maandag 30 januari 2017

Maandag
30
Januari


Tilburgilburg

Een kruik vol oude pis in Brabants weiden
Een klonterig geheel dat stad wil zijn

Een oponthoudje aan een spoorweglijn
Vol mannenzweet en uitgewoonde meiden


Het is een carnaval vol droefenis
Een polonaise van ondode zielen
De laatste snack in oud en ranzig vet

Die slechts gegeten wordt door randdebielen
En zelfs in Brabant noemt men het een smet
Dat zegt genoeg, het is een stinkend oord

Waar levenslust in dampen wordt gesmoord
Ik pak nog liever Adriaan van Dis
Dan dat ik ga naar’t gat dat Tilburgilburg is

Dat Tilburgilburg is een kruik vol oude pis


Peter Knipmeijer