donderdag 27 juli 2017

donderdag
27
juli


Nietigheid
Ach! al des stervlings roem is niet
Dan blinkend ijs en ruischend riet.
Het ijs versmelt, het rietjen knikt,
Als zon of wind het tegen blikt.
Waar blijft dan ’t schitterschoon kristal?
Waar ’t oorbehagend pijpgeschal?
Eén rukjen luchts, één zonnestraal!
Daar ligt des hoogmoeds flonkerpraal.

Willem Bilderdijk (1756-1831)

woensdag 26 juli 2017

woensdag
26
juli


De Elyzeese velden


Een zuivre lucht kleedt hier met purperglans de velden,
Een zachte rozengeur golft over 't jeugdig land,
Met lauwerbossen en gewijde mirth beplant.
Hier groeit onsterflijk ooft aan dikgezwollen trossen,
Het zilver beekje glijdt door eeuwig groene bossen,
Omzoomd met bloemen, die zich spieglen in 't kristal:
Een andre zon beschijnt dit zalig zielendal,
Wier zachte stralen door de olijvenblaadren zweven,
En ongevergd aan de aard haar schatten op doen geven!
Der jaargetijden loop is nimmer hier bekend,
Elk drinkt hier in de vreugd der altijd schone lent;
Ja de aard van alles is hier eeuwig, onverderflijk,
't Is alles hier genot, en dat genot onsterflijk.


J.F. Helmers (1767-1813)

(fragment uit: De Hollandsche natie)

dinsdag 25 juli 2017

dinsdag
25
juli

België bovenal

Midden groote landen
ligt ons kleine land,
als in gouden randen
echte diamant.
Hooge boomen,
blijde stroomen,
duin en zee, en berg en dal;
werklijkheid der zoetste droomen:
België, België bovenal!

Over vlas en koren,
hoeve en lindetop,
schiet een spitse toren
scherp ten hemel op:
Bijlen, zagen,
hamerslagen,
weefgetouwen, vlegelval;
en, na 't werk, de kermisdagen!
België's dorpen bovenal!

Open gaan de steden
in een grootschen groei,
prat op mooi verleden,
prat op huidgen bloei:
Ronde schouwen,
praalgebouwen,
huizen, hoven, liefgetal!
Vroede mannen, vrome vrouwen!
België's steden bovenal!

Laat de vreemden loven
vreemde zede en aard:
't vaderland gaat boven
alle land der aard.
Eigen wegen,
eigen zegen;
geen, die 't ooit verleeren zal!
Fier vooruit, en, overlegen,
Belgen! België bovenal!




René De Clercq (1877-1932)

maandag 24 juli 2017

maandag
24
juli

Wilde zangster

Prijst vrij de nachtegaal,
Als hij u menigmaal 
Verlust, en schatert uit:
Een zingend vedertje en een gewiekt geluid,
Wiens kwinkeleren zoet
De oren luisteren doet 
Gauw, na het tiereliertje 
Der vlugge luchtigheid, van 't olijk vrolijk diertje.
Wiens tjilpend schril geluid
Gelijk een orgel fluit, 
Veel losse toontjes speelt; 
En met een tong alleen, als duizend tongen kweelt.
Zijn hoog' en lage zwier, 
Met liefelijk getier,
Van 't helle schelle zoetje,
Vermeestert al 't gezang van 't zingend' springend' goedje.
Een diertje, wiens gelaat
In zeldzaamheid bestaat:
Omdat het niet en heeft
Als zang, die maar een maand in 't ganse jaar en leeft.
Maar 't meeste wonder, dat
Zijn roem ooit heeft gehad,
Is, dat zo kleine leden
Herbergen zulk een kracht van die luidruchtigheden.




Maria Tesselschade Roemers Visscher (1591-1649)

dinsdag 11 juli 2017

dinsdag
11
juli

Eerste avond op Northrock

Ik die hier eindelijk te schrijven zit
’t was vijf uur varens van de overkant –
ben weer gewend. Want nauwelijks geland
liep ik vijf mijlen voor een lampepit.
Niets raakt ooit, sinds St. Patrick, uit zijn stand
in dit gehucht waarvoor ik dagelijks bid.
Thans is het avond. En de lamp: hij brandt.
Komt, zuster stilte, zuster eenzaamheid,
gij enigen die mij vertrouwelijk zijt:
behoedt mij. Hoedt de lampkring en mijn hand.


Ida Gerhardt (1905-1997)

vrijdag 7 juli 2017

vrijdag
7
juli

Spijt

De strijd tegen het roken wordt verhard
Men maakt een eind aan onbekommerd zuipen
En waarschuwt wie verliefd in bed wil kruipen:
De mensheid groeit snel aan tot tien miljard

Zo blijkt dat van geneugten van mijn jeugd
Er achteraf niet eentje heeft gedeugd

Otto van Gelder

dinsdag 4 juli 2017

dinsdag
4
juli
• Warmweergedicht bij uitstek.
.
Een vers dat als een nachtkaars uitgaat

In een dilligence zaten
Negen menschen bij elkaar;
’t Was een dag van groote hitte,
En de lucht was drukkend zwaar.

Alles wat die menschen zeiden,
Kwam zoowat op ’t zelfde neer:
Niemand hunner sprak tenminste
Anders dan van ’t heete weer.

Naast een jongen, dwazen dandy
Zat een onderofficier;
Nevens hem een rijzig zeeman,
Over dien een rentenier.

Naast den rentenier een nufje,
Als een uitgeknipte prent;
En naast haar een burgerjufvrouw
Met een Amsterdamsch accent.

’t Was een ruwe paardenkooper,
Die weer achter deze zat,
En gewoon was zóó te spreken,
Of hij hooge ruzie had.

Aan zijn zijde een reizend hand’laar,
In zijn spreken razend vlug,
En daarnaast een rimp’lig bestje,
Bevend en gekromd van rug. 
” ’t Is fameus!” zoo spreekt de dandy,
En daarbij wordt uiterst net
Met twee vingers en twee duimen
’t Kneveltjen in krul gezet:

” ’t Is fameus vandaag, meneeren!
Etouffant is de atmosfeer!
Men gaat waarlijk languisseeren
Naar wat vocht, – mijn woord van eer!”

“Ja!” zoo antwoordt hem de zeeman,
En zijn dasknoop zit al laag,
Maar hij trekt dien nog wat lager,
Tot zoowat de streek der maag:

“Erger nog as in Oostinje
Brandt de zon hier op je huid;
’t Merg druipt weg uit al je knokkels;
’t Pek loopt al de naden uit.”

“Ja, ’t is warm,” zoo zegt de man nu
Die stil van zijn renten leeft,
En wiens hals een hooge heining,
Wit en helder om zich heeft:

” ’t Is zeer warm,” vervolgt hij, – keurig,
Of ’t zóó naar de drukpers moet:
“Anders is de zon zoo lieflijk,
Maar thans kwelt derzelver gloed.”

“Stel je voor,” zoo zegt de krijger
Trekkend aan zijn kinnebaard, –
Hand’ling, waar een ernstig fronsen
Van het voorhoofd zich mee paart:

“Stel je voor, ‘k heb met zoo’n hitte
Eens vijf uren gemarrcheerrd
’t Was wat! Maar – in mijn carrière
Dient bepaald geobediëerd.”

“Nou maar,”spreekt de paardenkooper
Op zijn ouden ruzietoon, –
En zijn pet, heel schuin gestooten,
Dekt zijn hoofd niet, maar zijn koon, –

“Nou maar, wat wou jullie praten!
‘k Leg hier de verklaring af,
Dat ik eens een dag beleefd heb,
Dat een peerd geen schaduw gaf.

‘k Was op weg: ‘k wou wat schuilen
Achter ’t peerd, maar ja! toen scheen –
’t Is zoo waar als ik ’t je zeg, hoor! –
’t Zonnelicht er dwars doorheen.”

” ‘k Weet nog wel,” zegt nu het bestje,
En het bruine bovenvlak
Van haar hand loopt langs haar neus heen, –
“Dat de musschen van het dak

Zoo maar morsdood kwamen vallen,
Doe ik nog een meiske was;
En het vee kreeg ’s zeumers koeken,
Want er stond geen sprietje gras.”

“Ja, enfin!” zoo spreekt de hand’laar
In een snellen woordenvloed:
“Zie je? een glaasje grog van bessen
Straks in ’t Posthuis, dat doet goed.

Ik ben altijd reizend , zie je?
Nu, enfin, dan kent men dat.
Grog of Beiersch, – prachtig! heerlijk!
Van dat Beiersch, frisch van ’t vat!”

“Och!” zucht nu de burgerjufvrouw
“Liefe minsch! ‘k bin sou verhit!
’t mot wel sijn, sou ‘k haast geloufen
Da’k sou an de sonsij sit.

Op uws plaassie is ’t nog beiter,
Maar hier sweit een minsch sich doud;
‘k mot u seggen: van mijn handen
Loupt een plassie in me schout.”

Van de hitte spraken allen, –
Maar die eene stijve nuf?
Wel, die zei daarbij maar telkens
Met haar zakdoek waaiend: “pf!”

In meer dan éénen zin, maar ook door dit besluit,
Gaat dit verheven dicht gelijk een nachtkaars uit.


Eliza Laurillard (1830-1908)
uit: Ernstig en los (1874)