donderdag 28 februari 2019


donderdag
28
februari


Openbaring 1:9

De boottocht was qua reiscomfort al niks
Het welkom kil, de kamer bleek een grot
De service was er zonder meer schandalig

Veel onweer, herrie, ongedierte, mot
De hinderwetten schond men er grootschalig
Geen ruiter hield zich aan het reglement

Maar ik (Johannes) vond het eiland zalig,
Voor wie het zien wil, vol amusement
Ik zag het daar, en hoe. I got my kicks.

En dus volhard ik hier in mijn verklaring:
Die trip op Patmos was een Openbaring

De Tweede Ronde, winter 1996
© Hendrik Jan Bosman



woensdag 27 februari 2019


woensdag
27
februari


Allegretto


Als januari maart was

En juni was april,

Verkocht ik mijn bezittingen

En leefde voortaan stil;



Maar als het maandag dinsdag werd

En donderdag viel uit,

Dan scheurde ik mijn klederen

En weende voortaan luid.
Simon Knepper

zaterdag 23 februari 2019


zaterdag
23
februari

‘Stokske van Oldenbarnevelt,

Mijn wens behoede u onverrot,
O Stok en stut, die, geen verrader,
Maar ’s vrijdoms stut en Hollands Vader
Gestut hebt, op dat wreed schavot;
Toen hij voor ’t bloedig zwaard most knielen,
Veroordeeld, als een Seneka,
Door Nero’s haat en ongenâ,
Tot droefenis der braafste zielen.
Gij zult nog, jaren achter-een,
Den uitgangk van dien held getuigen,
En hoe Geweld het Recht dorf buigen,
Tot smaad der onderdrukte Steên.
Hoe dikwijl strekt gij, onder ’t stappen
Naar ’t hof der Staten, stadig aan,
Hem voor een derden voet, in ’t gaan
En klimmen, op de hoge trappen;
Als hij, belast van ouderdom,
Papier en schriften, overleende,
En onder ’t lastig landspak steende!
Wie ging, zo krom gebukt, nooit krom!
Gij rustte van uw trouwe plichten
Na ’t rusten van dien ouden stok,
Geknot door ’s bloedraads bittren wrok:
Nu stut en stijft gij nog mijn dichten.

Joost van den Vondel (1587-1667)



maandag 18 februari 2019


maandag
18
februari

Hebben en Zijn

Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven
de ene, werkelijkheid, de andre schijn.


Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.


Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.


Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgetild.


Ed Hoornik (1910-1970)



zondag 17 februari 2019


zondag
17
februari

Van de drank

De wijn is voor de mens en voor de rapste geesten,
Maar water uit de beek ten dienste van de beesten,
Al wat de wijngaard geeft dat is een schone vrucht,
Om al wat droefheid smaakt te drijven op de vlucht.
Wijn dient van goede reuk en goede smaak te wezen,
Dan nog een klare glans die wordt er in geprezen,
Ook dient hij niet verschraald, maar vers getapt te zijn,
En vocht aldus gesteld dat noem ik goede wijn.
Maar wijn van rode verw dient niet te veel geschonken,
Want ’t maakt de buiken hard in overmaat gedronken.


Ik moet in dit geval de vrienden doen gedinken,
Van al te nieuwe most niet al te veel te drinken,
Want dat en doet de blaas noch ook de mage goed,
Dus gaat niet tot de most met al te rasse spoed
’t Is beter dat de wijn haar klaarheid mag bekomen,
Eer dat ze wat te veel dient in te zijn genomen,
Men heeft van oude tijd die luiden wijs geschat,
Die dronken klare wijn en uit het oudste vat.



Jacob Cats (1577-1660)



vrijdag 15 februari 2019


vrijdag
15
februari

Het vuur aan de schenen
aan Empedokles

Wij bekleden het Zijn met onze verscheidenheid van
todden en opschik. Er is geen leegte en er is geen teveel.
Vuur, aarde, water en de zachte toppen van de lucht:
het Ene, in viervoud zich mengend en dan weer uiteen.


Planten, bomen zijn vol geest en gevoel, mijn moeder
is als regenwolk herboren, zal later goudreinet zijn.
Wat is er dan mis? Waarom die onrust, dat geschrei?
Haat versus liefde – hoe kom je erbij? Het hemelrond


een dek van korrelijs? Heelal in de vorm van een ei?
En onder de grond immervlammende, ziedende brij?
Jou vond ik terug na vijfentwintig eeuwen, vederlicht


zwart lavahart op de kratermond in bevroren sneeuw.
En wat was ik? Luis op jouw zere hoofd? Die sandaal?
O oude Griek – Sapfo was ik, die ook dichtte en sprong.


Anneke Brassinga (1948)
uit: Verborgen tuinen (2019)



maandag 11 februari 2019


maandag
11
februari

De stillen

Eenzaamheids achterdocht, gevoed door waan,
Kweekt groter kwaad dan roekeloos vergeten
Van wetten, waardoor veiligen zich weten
Behoed tegen een snel en stout vergaan.


Wie zonder schaamte geile lust belijden,
Maken zich schuldig, maar zij weten toch
De grootste zondigheid van ’t kwaad te mijden.


Alleen wie, braafheid huichelend, bedrog
Plegen met liefde’s wet en wier gedachten
De vreugde van het arme volk verachten:


Zij zijn de farizeeërs aller tijden.

Anton van Duinkerken (1903-1968)
uit: Hart van Brabant (1936)