zondag 31 maart 2019


zondag
31
maart

Nachtzang

Minerva's uil is neergestreken
in 't land waar koning Ezel balkt.
Minerva's uil is neergestreken
en heeft de vredesduif verschalkt.

Minerva's uil is neergestreken
ten teken dat de avond valt.
Hier heeft zijn kroost naar uitgekeken
dat hatelijke leuzen schalt.

Trollen loeren, heksen dansen,
vampiers gaan naar bloed op jacht,
rovers grijpen gauw hun kansen;
koud en duister is de nacht.

Minerva's uil is neergestreken.
De wolf die lacht zijn tanden bloot.
Maar weldra zal de dag aanbreken
en kraait de haan in 't morgenrood

Musonius (Martijn Breeman)



zaterdag 30 maart 2019


zaterdag
30
maart

OP EEN MINERVA UIL

Hoe wijs is de Minerva-uil
Hij houdt zich stil bij leugenvuil
van honend volk of kabinet.
Men wil de kop van T. Baudet.
Doch hij, hij zal zijn paard berijden
en strijden voor hernieuwde tijden
waarin de intriganten ras
als waren zij van slappe was
- geworpen van hun schimmelzadel -
te gronde gaan, die voddenadel.
Hanny van Alphen


vrijdag 29 maart 2019



vrijdag
29
maart

OMTRENT EEN MINERVA-UIL

Te Goor spoot een Minerva-uil
zijn lastertaal en leugenvuil.
Hij hoonde volk en kabinet
geheel in stijl van T. Baudet.
Het stokpaard dat hij bleef berijden
- de glorie van verloren tijden
waarin het boreale ras
nog onvermengd en zuiver was -
wierp hem vol walging uit het zadel
als zelfverklaarde voddenadel.

Frits Criens


dinsdag 19 maart 2019


dinsdag
19
maart


De vechtende jongens.

Gijsje.
Laat ons dezen twist beslechten,
Door eens moedig saam te vechten.

Klaasje.
‘k Wil niet: ‘k heb geen lust in slaan;
Maar laat ons naar vader gaan;
‘k Wil u niet verongelijken;
Vader mag het vonnis strijken.

Gijsje.
Laffe jongen, zonder moed!

Klaasje.
O! bedenk eerst wat ge doet.

Gijsje.
‘k Vat u aanstonds bij de kleeren.

Klaasje.
Wacht u, ‘k zou mij dan verweren:
‘k Ben zoo min bevreesd als gij.

Gijsje.
Is dat waar, kom dan ter zij!

Klaasje.
Neen: daar zal ik mij voor wachten;
Maar uw dreigen hier verachten.
Ha! geen dwaasheid is zoo groot,
Dan te vechten zonder nood.

Hier werden zij gestoord,
Papa-lief had het juist gehoord.
Hij, die een krijgsman was, en dikwijls in zijn leven,
Van zijn beleid en moed veel proeven had gegeven,
Zei: ’t is de beste held: hij heeft den grootsten moed,
Die dapper vechten kan, maar ’t nooit onnoodig doet.


Hieronymus van Alphen (1746-1803)
uit: Kleine gedichten voor kinderen



maandag 18 maart 2019


maandag
18
maart

De dood

Die lompe gast zal jou niet overslaan.
Nooit belt hij op en vraagt: ‘Kom ik gelegen?’
Hij komt te vroeg, te laat, zijn zeis stoot tegen
je lamp of vaas. Hij laat zijn koffie staan.

Beloftes worden niet door hem gedaan
en hij zal nooit die knekelvoeten vegen.
Hij wil niet schaken. Er wordt stuurs gezwegen
tot hij je vraagt om met hem mee te gaan.

Dat was het dan. Je bent opeens zo moe.
Hij zegt: 'Je wist toch dat ik ooit zou komen.
Die lamp, die vaas, die doen er niet meer toe.

Kijk niet zo bang. Het sterven doet geen pijn.
Het zal een slapen, slapen zonder dromen,
het zal een slapen zonder weerga zijn.'

Patty Scholten (1946-2019)



zondag 10 maart 2019


zondag
10
maart

De huisvrouw des vissers die om een langdurig gebrek dat zij in haar man merkte, haar ende hem tesamen gebonden in zee heeft gesmeten.

Ik ben altijd bezwaard, bedroefd tot alle tijden,

Niet om mijn eigen pijn, maar om een anders lijden.
Zijn ziekte doet mij zeer, zijn droefheid is de mijn’,
Met hem ben ik in druk, met hem ben ik in pijn.
Om dat gij niet en kon, o lieve man, genezen,
Zo moet ik ook altijd in druk en pijne wezen.
Dus opdat ik mag zijn uit droefheid, gij uit wee,
Zo zullen wij te saam ons werpen in de zee.


Daniël Heinsius (1580-1655)
uit: Spiegel van de doorluchtige vrouwen (1606)




zaterdag 9 maart 2019


zaterdag
9
maart

De dochter die de moeder in de gevangenis met haar borsten onderhouden heeft.

In ijzer ende staal met voeten ende handen,

Ligt gij hier Moeder vast in zo veel zware banden,
Door honger ende dorst gebracht in grote nood,
En eindelijk daardoor gedwongen tot de dood.
Wat zal ik voor u doen? Gij hebt mij opgetogen,
Ik geef u dat weerom: ik heb u eens gezogen,
Kom zuig mij wederom, kom neem hier brood en wijn,
Wij zullen dochter beid’ en beide moeder zijn.



Daniël Heinsius (1580-1655)
uit: Spiegel van de doorluchtige vrouwen (1606)