donderdag 2 januari 2020


donderdag
2
januari


Nieuwjaarswens

Ik wou dat het nog vroeger was:
geen plastic spul maar sierlijk glas,
geen bonuskaart of klantenpas,
geen sushi: raap en rammenas!
Begrafenis, geen urn met as,
de tijd vóór infobesitas.
Ik wou dat het nog vroeger was.

Ik wou dat het al toekomst was:
geen onderscheid naar kleur en ras,
verlost van olie en van gas,
geen bodemloze oorlogskas,
genoeg docenten voor de klas,
geen tegeltuintjes meer, maar gras.
Ik wou dat het al toekomst was.

Wim Meyles




woensdag 1 januari 2020


woensdag
1
januari

Het nieuwe jaar is hier; het aardrijk gaat ontsluiten,
De botten puilen uit, de bomen zullen spruiten,
Het kruid en welig gras zal kruipen wijd en breed,
De bloemkens zullen staan elk op zijn best gekleed.
De tijd, de nieuwe tijd zal nieuwe jeugd gaan brengen,
Aan bergen, bos en dal, aan allerhande dingen:
Al wat daar henen lag, begraven in het stof,
Zal steken óp het hoofd, tot siersel van de hof.
De arme mens alleen, met ouderdom bevangen,
En kan het oude vel niet uit-doen, als de slangen...

Jacob Cats (1577-1660)



dinsdag 24 december 2019


dinsdag
24
december




Het kerstkribje 

De vlammen stonden bevend en bedeesd
te branden in de kerstboom, en daaronder
eerbiedig aangetreden om het wonder
de ezel en de os, het brave beest.
En Jozef ook, misschien het allermeest
verwonderd over wat er met en zonder
hem was gebeurd, maar blozender, haast blonder
en blijer dan hij ooit nog was geweest.

Maria in Mariablauw en wit,
de wijzen uit het oosten met geschenken.
zou iemand aan iets lelijks kunnen denken
bij zoveel moois en liefelijks als dit?
Er blonk een ster. Herodes was te vroeg.
Het kindje had nog heel wat voor de boeg.


Kees Stip (1913-2001) 
uit: 'Au! De rozen bloeien;
sonnetten van bedreigd geluk',




zondag 22 december 2019


zondag
22
december


De biecht

’t Werd Paschen; alles ging ter biecht,
In, ‘k weet niet welke, stad;
Waar Pater, ‘k weet niet wie, den trek
Der meeste Meisjes had.


‘Mijn Vader’ hief Thereesjen aan
‘Ik draag nu ’t haar gekapt,
En heb mij sedert, dag aan dag,
Op de eigen fout betrapt.


‘k Hoor overal hoe schoon ik ben!
Dit brengt mijn hoofd op hol;
’t Weêrstond den hoogmoed vruchteloos,
En draait mij als een tol.’


‘“Foei, foei! Maar, zeg eens: bent ge rijk?”’
‘Och neen; als ieder weet.
Mijn jonger zuster is ’t alléén;
Die erfde van haar Peet.’


‘“Wel nu, zoo heb geen zorgen meer:
Uw hoogmoed zal vergaan,
Wanneer men om uw Zuster komt,
En U, schoon Kind, laat staan.”’



A.C.W. Staring (1767-1840)
uit: Nieuwe gedichten (1827)



vrijdag 20 december 2019


vrijdag
20
december


Lotgenoten,

Ons gaan is een komen
Ons komen een gaan

De zin van het leven
is dat we vergaan

De wereld van iedereen
Niemand de baas

Het heden is eeuwig
Alles is waar

God of Jehova
Allah Jahweh

De één is de ander
De ander de één

Ontsteekt uw geweten
Kijkt om u heen

Het lot dat we delen
laat niemand alleen


Jules Deelder (1944-2019)
uit: Ruisch (2011)



dinsdag 17 december 2019


dinsdag
17
december

Van op de hooge brug

Van op de hooge brug onder den kroonlantaren,

is alles, nu gezien, zoo anders dan het was
toen wij den tragen avond gingen tegenvaren,
of spraakloos onder de elze zaten in het gras.


De Leie en lijkt ons maar een landelijk rivierken,

een wandelende streep, en wat traag water toe,
met aan iederen draai een waaiend populierken,
een half-verdronken ponte, een schilder en een koe.


Hier langs de straten is ’t zoo triestig en het regent.

Maar ginder is de nieuwe maan al opgestaan.
Waarom nu elk van u de Leie niet gezegend?
Meneer van de Woestijne heeft het vóórgedaan.


Of wist ge ’t niet: dat Jezus ’t veer kwam overzetten,

(de lelie drijft, alwaar zijn riemslag heeft verpoosd),
en dat men tot zijn glorie, onder de gloriëtten,
des Zondags aan een matig prijsken paling roost?



Richard Minne (1891-1965)
uit: In den zoeten inval (1927)

maandag 16 december 2019


maandag
16
december

Internationale treinen

Laat vrije baan aan de internationale treinen:
zij schonken ’t zelf-vertrouwen weer aan een geslacht,
dat kroop in ossewagens en in palankijnen,
en nu aan 140 ijlt doorheen den nacht.


In de internationale treinen wordt geboren
de broederschap, die men bij pond en dollar meet,
Armstrong en Vickers, de trust van ’t koren,
de nieuwe nationaliteiten waar niemand van weet.


Laat vrije baan aan de internationale treinen:
zij schuiven de toekomst open als gordijnen,
en brengen ons reukwerk, guano en schoenen,
den Volkenbond en appels voor citroenen.



Richard Minne (1891-1965)
uit: In den zoeten inval (1927)