vrijdag 11 oktober 2024

 

vrijdag

11

oktober

Eeuwig

Eeuwig is de kringloop der planeten;
Eeuwig is de leegte rond hun schijn.
En dé nacht wordt met de dag gemeten.
Eeuwig is het Niet en is het Zijn.

En daartussen, als een onkruid groeiend,
Uit een rots die groot is, zonder grens,
Leeft, een middag en een avond bloeiend,
Snel en weer verschrompelend de mens.

Duizlig woont zijn wiegend bloemenhoofd
In een wolk van mateloze dromen,
Waar hij in verzinkt en in gelooft; —

Tot hij plots de zin van het bestaan
Zingend uit zijn afgrond op voelt komen,
En dat is het zingen van de zwaan.

Bertus Aafjes (1914-1993)



vrijdag 6 september 2024

 

vrijdag

6

september

Salie

Gij plant de salie in mijn tuin.
Gij wilt de dood verraden:
waar salie groeit naast tijm en ruit
zal dood geen hand genaken.

Gij tart het leven en het lot:
de salie kan verkwijnen.
… Wie houdt het roestig hek op slot
en zal het huis omheinen
met alles wat onz’ wanhoop vindt:
bedrog en medicijnen?

Ei, hoe de kat op d’aardstraal spint,
waar levenslijnen scheiden.




Julia Tulkens (1902-1995)



woensdag 4 september 2024

 

woensdag

4

september

 

Dees Stadt zoo overal beplant met Yp’en Linden,

Is hier in gadeloos, en nergens meer te vinden.

Het groen Bosschaadje zelf is hier voor onze deur

En schenkt ons veel vermaak vol aangename geur.

 

Melchior Fokkens (ca 1660)

dinsdag 3 september 2024

 

dinsdag

3

september

Rekenen op rijm

Zeven zoete zuurtjes zaten in een fles,
maar ééntje rolde in de goot. Nu zijn er nog maar…
Zes zoete zuurtjes. Daar kwam een heel oud wijf,
die heeft er eentje weggepikt. Toen waren er nog …
Vijf zoete zuurtjes. Toen kwam mijn nicht Marie,
die heeft er twee gekregen. Toen waren er nog …

Drie zoete zuurtjes. Toen kwam de kruidenier,
die bracht voor mij een zuurtje mee. Toen waren er weer …
Vier zoete zuurtjes, en toen kwam tante Mien,
die deed zes zuurtjes in de fles. Toen waren het er …

Tien zoete zuurtjes. Ik at ze op alleen.
Nu is het hele flesje leeg. Nou heb ik er geeneen.




Annie M.G. Schmidt (1911-1995)



vrijdag 30 augustus 2024

 

vrijdag

30

augustus

De laatste taveerne

Eens, als mijn reis ten eind zal zijn,
Zal ik ter herberg komen
Waar Dood ons schenkt den laatsten wijn
Der eindeloze dromen.

En de oude waard zal mij verstaan,
En zeggen ‘laat ons tikken’,
En ik zal rustig slapen gaan:
Hij zal mijn peluw schikken.

En ’t leven, als het trekt voorbij,
Zal een vers graf bemerken,
En schrijven, in het zand, voor mij,
Dees woord voor mijne werken:

Gij die nog reist, en vurig leeft,
Hij die hier rust dronk diep van ’t leven;
Ledigt den kelk die ’t lot u geeft:
Aan wien veel leeft, wordt veel vergeven.




Firmin van Hecke (1884-1961)



zondag 25 augustus 2024

zondag

25

augustus

Bij Lenins mausoleum

Lenin, nu rust ge in uw praal, gij groote mensch,
gij die geen praal gezocht hebt of verlangdet;
nu rust g’ in de valsche praal, gij waaracht’ge,
die zal diene’ om millioenen te verblinden,
hen af te houden van zelfstandig denken,
gij die de plicht van het zelfstandig denken
aan uw makkers voorhield als eerste plicht.
Nu ligt ge in de praal, die dienen zal
om millioenen te doen buigen
voor uw gezag, als waar het van een god, —
hen te doen zweren bij uw woorden
als bij de woorden van een god, —
gij die het zweren bij ieder gezag
verfoeid hebt als de bron van alle kwaad
en met woedende felheid hebt bestreden.




Henriette Roland Holst (1869-1952)




vrijdag 16 augustus 2024

 

donderdag

16

augustus

 

Het zonnespectrum

Ik hield een prisma in de hand
En wierp een schijnsel op de wand,
Dat, schoon het zonlicht, doorgaans wit,
Uit zijnen aard geen kleur bezit,
Zo velerhande kleuren droeg,
Dat ik mijzelve, peinzend, vroeg,
Hoe toch dit klaar, doorschijnend glas,
Dat zelf volkomen kleurloos was,
Al deze kleuren scheppen kon
En halen uit het licht der zon.

Het licht, dat door dit prisma viel,
Werd mij het beeld van mijne ziel,
Die eveneens een prisma vond,
Waardoor zij hare stralen zond,
Een glas, waarmee ik heb gespeeld,
En dat haar wezen dús verdeeld
En dús gekleurd heeft en getint,
Dat zij maar nauw zichzelf hervindt
In ’t spel van deze regenboog,
Die zo veelkleurig is voor ’t oog.

Edoch, omdat het klare glas
Der kunst volkomen kleurloos was,
Vermoed ik, dat haar eigen aard
Dit kleurenspectrum heeft gebaard,
Dat steeds in ’t klaar en nuchter wit
Van mijne ziel verborgen zit.



Jacqueline van der Waals (1868-1922)