donderdag 12 juni 2014

Donderdag
12
juni

De dichter aan zijne vrienden.

Wen ik sterve, lieve vrienden,
Siert mijn graf dan met geen steen,
Laat een' groten, vrugtbren wijngaard,
Mij ter eer- en graszuil zijn!
Drinkt, zoo vaak de lieve Lente,
Langs de ruime velden, danst,
Drinkt dan mij, uw' vriend, ter eere,
Driewerf uwen beker uit!
Brengt dan de allerschoonste meisjes,
Bij mijn stil en eenzaam graf!
Laat die lieve, schoone meisjes,
Zingen op mijn eenzaam graf!
Laat haar zingen: ‘Vrugtbre wijnstok!
Schiet uw dartle ranken uit!
Hij, dien uwe wortels dekken,
Was een vriend der zoete min!
Ook uw vrugten, edle wijngaard!
Hebben vaak zijn ziel verheugt!
Speelgenootjes! laat ons zingen!
Hier rust onzer aller vriend!



Jacobus Bellamy (1757-1786)

uit: Proeven voor het verstand, den smaak en het hart 

dinsdag 10 juni 2014

Dinsdag

10
juni


Uurwerkmaker


God geeft den tijd bij dag en jaar,
ach neen, bij kleene tikskes maar,
en ’t laatste tikske komt aleer
men ’t peinst of weet, eilaas, te zeer!
De wijzer wijst elk uur en tijd,
maar de uur niet dat gij schuldig zijt
te sterven. Zijt dus voorbereid,
de wijzer wijst naar de eeuwigheid.

Guido Gezelle (1830-1899)

donderdag 5 juni 2014

Donderdag

5
juni

De Vlabber & De Vlaar
Elke ochtend na het opstaan
staan de Vlabber en de Vlaar
met z’n tweeën voor de spiegel
en ze vragen aan elkaar:
‘Wie van ons was nou de Vlabber?’

Tja, daar staan ze dan te dubben
met hun harken in hun haar.
‘Heel de nacht alles onthouden
krijg ik echt niet voor elkaar!’
roept de Vlaar dan (of de Vlabber?).

En de ander antwoordt kriegel:
‘Even denken... Rustig maar!
Kijk, mijn kop lijkt op een zwabber
en mijn lijf lijkt op een schaar.
Dus dan ben ik vast de Vlabber.’

Elke avond voor ’t naar bed gaan
staart de Vlaar weer met de Vlabber
in diezelfde grote spiegel
en ze vragen aan elkaar:
‘Wie was ook al weer de Vlaar?’

Heel de dag alles onthouden
is voor hen een groot bezwaar
dus daar staan ze weer te dubben.
‘Jouw geheugen is belabberd!’
roept de Vlabber (of de Vlaar?).

En dan zegt de ander maar:
‘Kijk, mijn kop lijkt op een vlieger
en mijn lijf op een gitaar.
Volgens mij ben ik de Vlaar,
dan ben jij vanzelf de Vlabber.’

Tja, dan gaan ze maar weer slapen
en dan staan ze maar weer op
en ze koken hun rabarber
en ze roken hun sigaar
en dan zijn ze ’t wéér vergeten.

‘Maar dat kan ons mooi niks schelen’,
giechelt de verstrooide Vlabber
– of, wie weet, de suffe Vlaar?

Judy Elfferich
(Uit Er zit een feest in mij, Querido’s Poëziespektakel 5, 2012)

zondag 1 juni 2014

Zondag
1
juni


Bij gelegenheid van ons bezoek aan de abdij van Tongerlo, België

Psalm 150

Loof hem met trommels,
Bazuinen en hoorngeschal,
Loof hem met snaren,
Met fluit, breng hem eer.

Loof thans zijn daden, zijn
Multi-oneindigheid,
Breng, al wat adem heeft,
Lof aan de Heer.

Frans Woortmeijer

(uit: 150 Psalmen in light verse)

woensdag 28 mei 2014

Donderdag

29

Mei


Bij gelegenheid van ons bezoek aan de abdij van Tongerlo, België


Psalm 8

Zie ik de hemel,
Het werk van des Heren hand,
De maan en de sterren
Staan stil in een boog.

Wat is een sterveling?
Godwelgevallige?
Wat is een mensenkind
Nou in uw oog?

U schenkt hem glans,
Hebt hem bijna tot God gemaakt.
Hij is vertrouwd
Met het werk dat u doet.

Schapen en geiten en
Steppenbegrazenden,
Vissen en vogels
Legt u aan zijn voet.
Frans Woortmeijer
(uit: 150 Psalmen in light verse)

zondag 25 mei 2014


Zondag

25

mei

Een ode, lieve Godelieve

Als ik in het huis van vader
Dat eerst van mijn ouders was
Door de fotoalbums blader
Met mijn weemoed als kompas
Valt iets op dat alle jaartallen verbindt
Want je kijkt op elke foto naar het kind

Alle beelden van jouw leven
Die ik speurend tegenkom
Zijn van kinderen vergeven
Tonen prachtig aan waarom
Jij als moeder en als juf zo werd bemind
Want je kijkt op elke foto naar het kind

Je wil al je aandacht schenken
Aan de koter op je schoot
En ik hoor je bijna denken:
‘Is dat jasje niet te groot?
Zit het mutsje goed met deze koude wind?’
Want je kijkt op elke foto naar het kind

Met een klapzoen op de wangen
Of een aai over de bol
In een sluitertijd gevangen
Eeuwig in de moederrol
En voor fotografen was je blijkbaar blind
Want je kijkt op elke foto naar het kind

Kon je nu maar naar me kijken
Nog één keer, op die manier
En je liefde laten blijken
Ook al komt het van papier
Maar ik vrees dat ik je ogen nergens vind
Want je kijkt op elke foto naar het kind

Met een onvervuld verlangen
Gaan de albums in de kast
Maar ik laat het hoofd niet hangen
Blij en dankbaar stel ik vast
Dat jouw blik in mijn geheugen is geprint
Want ik was op al die foto’s vaak het kind


© Theo Danes
http://www.theodanes.nl/

donderdag 22 mei 2014

Donderdag
22
Mei

De Gingginger

In een woud hier ver vandaan
leeft een schepsel, heel alleen.
Hij kan rollen, maar niet staan,
heeft geen been, geen voet, geen teen.

Oh, wat moet hij eenzaam wezen,
deze purperen gingginger,
die niet eens een boek kan lezen
want hij heeft geen hand, geen vinger.

'k Heb zo'n meelij met het dier,
maar dat woud is ver van hier.

Voor zijn achteroverneven
(heel gelijkend, maar wel groen)
die in onze streken leven
kan ik echter wél iets doen!


Hen verzorgen is een pretje,
zie ze soezen in de lommer.

Ik bereid hun vinaigretje
want ik hou zo van komkommer.

Vera de Brauwer