vrijdag 31 juli 2015

Vrijdag

31

juli

Ik ben verheerlijkt opgerezen
uit ziedende olie en nijdig pek:
nu zal ik eeuwig heilig wezen,
                       en zonder vlek;

nu mag ik witte kleed’ren dragen
en tartend trappen op spijt en spot;
de zwarte dwergjes zullen vragen:
                       is hij God?




M.B. Ledegouwer (1895-1914)
uit: Heoos, dit is een boek van jeugd (1912) 

dinsdag 21 juli 2015

Dinsdag

21

juli


Wat hebt gij van uw dronkenschap bewaard?
Een lamp, die kwijnt; een oog, dat nederstaart.

Wat werd er van den storm, dien gij bestondt?
Een dolend blad, dat nog zijn rust niet vond.

Wat heeft de liefde in uw hart gedaan?
Zij deed mij 't leed der eenzamen verstaan.

Wat bleef van allen glans, die langs u ging?
Niets dan een zingende herinnering.




H.W.J.M. Keuls (1883-1968)
uit: Om de stilte (1924)

maandag 6 juli 2015

Maandag

6

juli

De zomers

Klaprozen, korenbloemen, barstensvolle
goudgele aren streelden mijn gezicht.
Groengouden vliegen zoemden een gedicht.
Rood liet het ooft de appelwangen bollen.

Zomernachtdonker is gesmolten licht.
Niet bang zijn voor kabouters en voor trollen.
Ze komen 's nachts het grasveld voor je rollen.
Alleen een dom kind houdt zijn ogen dicht.

Zullen wij dit soort zomers nooit meer zien?
Ging dan het paradijs voorgoed verloren
omdat wij aan de wereld toebehoren?
Huil niet, huil niet, de hemel zal misschien
een zolder in een huis zijn zonder zorgen.
Daar hebben ze die zomers opgeborgen.

Kees Stip (1913-2001)

Uit: Au! De rozen bloeien; sonnetten van bedreigd geluk, 1983.

maandag 1 juni 2015




Zondag

31

mei


Eenmaal in de achttien dagen 

kruipt de Grumpel uit de grond 
om aan de Raburp te vragen 
waar de bus stopt naar Roermond. 
De Raburp pakt dan een takje 
en gaat zitten op zijn kont, 
en hij schetst op zijn gemakje 
in het zand een plattegrond. 
Alle haltes, alle lijnen 
van de trein, de tram, de pont 
ziet de Grumpel daar verschijnen 
en hij kijkt met open mond. 
‘Doei!’ hoort hij dan plots. ‘De groeten, 
enig om je te ontmoeten, 
veel plezier straks in Roermond 
met je broer en zeven zussen!’ 




Zoekend blikt hij in het rond: 
de Raburp is ervantussen, 
maakte vlot zich uit de voeten 
naar een verre horizont. 
‘Hela, je vergeet de bussen…’ 
zegt de Grumpel met een frons 
maar er reageert geen hond. 
Dus hij antwoordt binnensmonds: 
‘Nou, tot over achttien dagen!’ 
en hij gaat weer ondergronds. 
(Soms voelt hij de boel bewegen 
als er boven hem een lege 
bus voorbijscheurt naar Roermond.)

Judy Elfferich

dinsdag 24 maart 2015


Woensdag

25

maart


Wie het weet mag het zeggen

Vertel mij eens, wat is nu poëzie,
ik zou het alle donder echt niet weten.
In elk geval is het geen causerie
want daarvoor is de luim te schraal bemeten.

Is het soms letterkundige magie
wat dichters produceren aan excreten?
Vertel mij eens, wat is nu poëzie,
ik zou het alle donder echt niet weten.

Misschien is het een vlaag van agonie
waarin de dichter koortsig en bezeten
de strofen schrijft die louter door estheten
begrepen zijn als schone woord-chemie.
Ík zou het alle donder echt niet weten.


Adriaan van Dam



woensdag 18 maart 2015

Woensdag

18

maart


Geloof


Nu alles faalt, heeft dit alleen nog waarde
Voor mij, die nooit één waarheid heeft ontdekt;
Ik zal van U niet scheiden als deze aarde
Mijn pover lichaam dekt.

Ik heb maar één geloof: nooit gaat verloren
Wat eens de liefde zalig heeft bevrucht,
En waar er twee elkander toebehoren
Is zelfs de dood geen vlucht.

Jan van Nijlen (1884-1965)
Uit: verzamelde gedichten

Van Oorschot 2003



dinsdag 17 maart 2015

Dinsdag

17

maart


MIRLITON

Mijn vriend, als weldra de ouderdom
ons onherstelbaar heeft verzuurd,
als onze leden, goor en krom,
en enkel nog door jicht bestuurd,
verraden: „'t Is gans uitgevuurd",
zullen wij dan met stille trom
verdwijnen, langs een achterbuurt,
mijn vriend?

Dit wacht de fraaiste bruidegom:
de hardste munt raakt afgeschuurd,
en dit karkas, door ons gehuurd,
kruipt door ons vel en keert niet om
't Is wèl! Blijf tot uw laatste grom
mijn vriend!
Eddie du Perron

Uit: Parlando