zaterdag
22
februari
zaterdag
22
februari
vrijdag
21
februari
Visions of Johanna
[Verse 1]
Ain't it just like the night to play
Tricks when you're trying to be so quiet?
We sit here stranded
Though we're all doing our best to deny it
And Louise holds a handful of rain, tempting
you to defy it
Lights flicker from the opposite loft
In this room the heat pipes just cough
The country music station plays soft
But there's nothing, really nothing to turn off
Just Louise and her lover so entwined
And these visions of Johanna that conquer my
mind
[Verse 2]
In the empty lot where the ladies play
Blindman's bluff with the key chain
And the all-night girls
They whisper of escapades out on the
"D" train
We can hear the night watchman click his
flashlight
Ask himself if it's him or them that's insane
Louise, she's all right, she's just near
She's delicate and seems like the mirror
But she just makes it all too concise and too
clear
That Johanna's not here
The ghost of 'lectricity howls in the bones of
her face
Where these visions of Johanna have now taken
my place
[Verse 3]
Now, little boy lost, he takes himself so
seriously
He brags of his misery, he likes to live
dangerously
And when bringing her name up
He speaks of a farewell kiss to me
He's sure got a lotta gall
To be so useless and all
Muttering small talk at the wall while I'm in
the hall
Oh, how can I explain?
It's so hard to get on
And these visions of Johanna, they kept me up
past the dawn
[Verse 4]
Inside the museums, Infinity goes up on trial
Voices echo, "This is what salvation must
be like after a while"
But Mona Lisa musta had the highway blues
You can tell by the way she smiles
See the primitive wallflower freeze
When the jelly-faced women all sneeze
Hear the one with the mustache say, "Jeez,
I can't find my knees"
Oh, jewels and binoculars hang from the head of
the mule
But these visions of Johanna, they make it all
seem so cruel
[Verse 5]
The peddler now speaks
To the countess who's pretending to care for
him
Sayin', "Name me someone that's not a
parasite
And I'll go out and say a prayer for him"
But like Louise always says
"You can't look at much, can you,
man?"
As she, herself, prepares for him
And Madonna, she still has not showed
We see this empty cage now corrode
Where her cape of the stage once had flowed
The fiddler, he now steps to the road
He writes everything's been returned which was
owed
On the back of the fish truck that loads
While my conscience explodes
The harmonicas play the skeleton keys and the
rain
And these visions of Johanna are now all that
remain
Bob Dylan
woensdag
5
februari
Het huisje in de duinen
Muurbloemen bloeiden voor het lage raam.
Het late middaglicht was warm en bronzen,
en de ongerepte stilte klonk als gonzen
van vele kleine vleugelen tezaam.
En achter het beschutte, kleine huis
verhieven zich de wit-geblaakte duinen:
een strakke hemel stond boven hun kruinen;
haast niet te horen was het zeegeruis.
Hier scheen de macht van 't onheil te vergaan,
één ogenblik. Hier scheen 't geluk bereikbaar,
de lome druk der daaglijksheid ontwijkbaar
binnen de grens van een beperkt bestaan.
Welke is die mensen ingeschapen drang,
die geen vervulling duldt van het begeerde,
maar altijd van hun zwakke harten weerde,
waarnaar zij joegen, heel hun leven lang?
J.C. Bloem (1887-1966)
uit: De nederlaag (1937)
donderdag
16
Januari
(Koningin Louise tot haar moeder.)
Zie, toen ik eens, tien jaren nauwlyks oud,
Was ingeslapen in den tuin te Wilstädt,
Verscheen me een engel, schitterend van licht,
En schoon... o moeder, hemelsch! In z'n hand
Droeg hy twee kronen, de een van doornen,
En de ander scheen van goud. ‘Louise, kies!’
Zoo sprak hy. Maar ik stak de hand niet uit:
Ik was beschroomd, en sidderde in m'n droom.
En nog-eens riep hy, dat ik kiezen zou.
‘Wat wilt ge, koningin of mensch zyn, sprak hy,
Een mensch die lydt, gevoelt en arbeidt, of
Een Koningin die heerscht?’ Ik... koos het
eerste!
En drukte my den doornenkrans op 't hoofd,
En voelde 't bloed my bigglen langs de slapen...
‘Door dat tot dit!’ sprak de engel, en hy leî
De gouden koningskroon my in den schoot...
Toen werd ik wakker van de pyn: ik lag
In 't rozenboschje... een wilde slingerstruik
Had my gewond... de gouden kroon was weg!
- Niet voor altyd, m'n kind! Uw droom was juist!
- Neen, moeder, niet geheel... nòg niet!
Misschien
Zal 't eenmaal waar zyn, maar ik acht
My zelve niet gekroond tot Koningin,
Voor ik de kroon der smarte heb gedragen.
Door háár tot de andre, als in m'n kinderdroom!
'k Wil weten wat het leven in zich heeft.
Ik wil myn tol betalen voor het recht
Een mensch te zyn. Ik eisch myn wettig deel
Aan de algemeene taak. En, moeder, als
Ik al m'n kracht ten-offer heb gebracht
Aan 't welzyn van m'n medemenschen... dan,
Ja, dàn noem ik myzelve Koningin.
Dan neem ik 't aan als eerelyk verdiend
Wanneer het Volk my toejuicht... eerder niet!
dinsdag
8
Januari
Eens
Eens zullen allen die
tussen ons kwamen,
zijn weggevallen — wie
weet nog hun namen ...
Eens zal de vete zijn
bijgelegd
en zal vergeten zijn
ons bitter tweegevecht.
Eens zal het weer regenen
stil, zoals toen aan zee —
Kom mij dan tegen en
ga met mij mee.
A. Roland Holst (1888-1976)
maandag
6
Januari
De
reis van de drie koningen
Het
weer was niet best om heel ver te gaan reizen
De
weg vol met modder, het weer uiterst guur
Kamelen
verlangden heel erg naar hun schuur
Hun
hoeven bezeerd, zochten zij paradijzen
Wij
dachten met spijt terug aan onze paleizen
De
meisjes gehuld in hun zijde, zo puur
En
fonk’lende wijn in bokalen, heel duur
Een
leven bestemd voor doorluchtige wijzen
De
drijvers, ze vloekten, ze scholden, ze staakten
Ze
vroegen om vrouwen, om hoeren en drank
De
vuren die smeulden, verspreidden veel stank
’t
Was vaak dat wij naar een goed onderdak haakten
Dus
logisch dat wij soms de hele nacht waakten
De
stadjes zo vuil en de dorpjes zo duur
Het
leek wel als liepen we tegen een muur
En
goden die onze reis lange tijd laakten
Maar
toen werd het licht en daar was er dat dal
Geen
sneeuw meer, maar bloemen in vroeg’ voorjaarstooi
De
beek snelde voort en een molen, zo mooi
Drie
bomen die stonden daar stokstijf en pal
Een
herberg met wijnranken, rijp zonder tal
De
werklieden gokten hun dagloon er door
En
voetknechten riepen om meer wijn in koor
Hun
roepen verwerd er weldra tot gebral
Maar
info kon men ons aldaar niet verschaffen
Dus
verder maar weer op ons duistere pad
En
daar was ons doel, ja daar was er die stad
Het
doel was het waard, zou ons zeker niet straffen.
Het
is lang geleden, maar ‘k zal ’t nooit vergeten
Maar
wel kwelt ons immer een prangende vraag
Het
doel dat ons dreef was uiteindelijk vaag
Geboorte
of dood, dat zou ik willen weten.
Geboorte,
jazeker, dat mocht het wel heten
Maar
deze geboorte sereen en zo groot
Was
tevens ons einde, gewis onze dood
Maar
hoe…? Ach, we werden er gans door bezeten
We
keerden naar huis terug, terug naar ons rijk
Maar
thuis voelden wij ons al lang daar niet meer
De
mensen, maar steeds met hun god in de weer
Ach,
kwam er een tweede dood in ons bereik….
Frans Woortmeijer