vrijdag 7 november 2014


Donderdag


6

november



zij had een heel klein handje om te slaan

met zeven gouden vingers en een watermerk – 
een handje adem voor een glazen kerk – 
en zeven kleine voetjes om te staan.



zij had een hoofdje als een nachtcitroen
en vleugeltjes als een bevroren ruit –
haar haren waaiden voor haar voetstap uit
(zij was er steeds; was ze een visioen?).



zij had een heel klein handje om te slaan
en zeven mondjes om het daglicht uit te blazen,
zij had een mei-lichaam waarom een glazen
stolp. zij had een maan-lichaam bij volle maan.





Neeltje Maria Min (1944)
uit: Voor wie ik liefheb wil ik heten (1966) 

zondag 2 november 2014


Zondag


2

november


Ik zie de wilde vogels huiswaarts keren,
verlangend naar het einde van hun vlucht.
Hun V trekt fier door frisse najaarslucht,
het zachte avondrood op witte veren.

De aardse strijd kan hen niet langer deren;
ze reizen, onverstoorbaar, onbeducht,
hoog boven ieder dorpje, elk gehucht,
om in hun verre haven aan te meren.

En onverwacht ben ik niet langer bang
want ik ontwaar een onmiskenbaar spoor;
het voert voorbij de dood en wenkt al lang.
Het fluistert, zachtjes troostend, in mijn oor:
“Wees niet verdrietig om de laatste gang,
de reis gaat immers na het heengaan door!”


(In september 2014 geschreven onder pseudoniem Hanneke van Almelo)

donderdag 30 oktober 2014

Donderdag

30
oktober


DE NIEUWE OOSTER

De meeste bomen zullen ons hier overleven

tot ook hun ruisen in de eeuwigheid verstomt

en zij hun troost voor iedereen die na ons komt

onder hetzelfde juk, niet langer kunnen geven.



Soms ritselt nog het gras zowat vergeten namen

voor wie ze horen wil, al zeggen zij niet meer

wat zij ooit zeiden, maar wat ons een oogwenk weer

beseffen doet, waarom wij als tevoren kwamen



naar deze tuin die aan herdenken is gewijd:

het even stilstaan bij het doorgaan van de tijd.


Jan Boerstoel

zaterdag 25 oktober 2014

Zondag

26
oktober


De Ceder


Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
gij kunt het zien, gij schijnt het niet te willen.
Een binnenplaats meesmuilt ge, sintels, schillen,
en schimmel die een blinde muur aanrandt,
er is geen boom, alleen een grauwe wand.
Hij is er, zeg ik en mijn stem gaat trillen,
Ik heb een ceder in mijn tuin geplant,
gij kunt hem zien, gij schijnt het niet te willen.

Ik wijs naar buiten, waar zijn ranke, prille
stam in het herfstlicht staat, onaangerand,
niet te benaderen voor noodlots grillen,
geen macht ter wereld kan het droombeeld drillen.
Ik heb een ceder in mijn tuin geplant.



Han Hoekstra (1906-1988)

vrijdag 24 oktober 2014

Donderdag

23
oktober
 Vlaggen

Ik heb mijn vlaggen bij jouw deur geplant,
je ruikt de plekken, zonder het te willen.
Besmeur ik hiermee vuilnisbakken, schillen,
de rotzooi die jouw kleine hof aanrandt,
jij geeft niet thuis, een teken aan de wand.
Ik roep je, voel het onderhuidse trillen,
Ik heb mijn vlaggen bij jouw deur geplant,
je ruikt de plekken, zonder het te willen.

Ik glip naar buiten, waar de zon haar prille
licht op het voorjaar vlijt, onaangerand,
en snuif de lucht, geef toe aan liefde’s grillen,
maar jij blijft liggen, ik kan jou niet drillen.
Ik heb mijn vlaggen bij jouw deur geplant.





Ben Hoogland

zondag 19 oktober 2014

Zondag

19
oktober


Aan mijn verzekeringsagent

Er is tien meter van mijn tuin verbrand,
Gij kunt het zien, gij schijnt het niet te willen
Benedenmaats, meesmuilt ge, gans verschillen
Die dingen niet met wat was aangeplant
Ik zie geen boom, alleen een zwarte rand
Ze stonden er, zeg ik, mijn stem gaat trillen
Er is tien meter van mijn tuin verbrand,
Gij kunt het zien, gij schijnt het niet te willen

Ik wijs naar buiten, maar mijnheers pupillen
Staan in 't herfstlicht haast al roodomrand
Niet te benaderen voor noodlots grillen
Een brandverzekeraar valt niet te tillen
Er is tien meter van mijn tuin verbrand


Remko Koplamp

dinsdag 14 oktober 2014

Dinsdag

14
oktober


Vergankelijkheid

Er staat een Conifeer in onze tuin
Uit zaad ontkiemd en groeiend zonder zorgen
Jaar in jaar uit, van d’ ochtend tot de morgen
Op fiere stam, geen centimeter schuin

Er staat een Conifeer in onze tuin
Ooit aangewaaid, een eigen plek verworven
In zwarte aarde, nooit door gif bedorven
Goed negen meter hoog van grond tot kruin

Er stond een Conifeer in onze tuin
Na zes en twintig jaar is hij gestorven
De reden van zijn sneven bleef verborgen
Zijn groene kwasten schrompelden tot bruin


Nog één keer zal hij geur en vreugde geven:
als haardvuur in een kort maar vlammend leven


Adriaan van Dam