zondag 8 november 2015

Zondag


8
November

't Weldadige geldleenen


‘'k Leen gaarne d'arme die in nood is.’ - Gy doet wel;
Maar, vriend-lief, wees dan ook in 't manen niet zoo fel. -
‘Met recht vraagt hy die 't gaf, het uitgeleende weder.’ -
Zoo is 't; maar als die 't leent niet wedergeven kan,
Is 't wedervergen van die geldschuld nog veel wreeder
Dan of 't geweigerd ware, en 't hart verscheurt daar van.
Ach, Christen, geef, ja geef om niet weêrom te ontfangen,
Leen, zonder dat ge een hoop op 't wedergeven kweekt.
Uw leen zij bloote gift! Waar 't hart er aan blijft hangen,
Is 't zelfbegoocheling waarin de Boze spreekt.

De man vraagt iets te leen? - Gy, zeg niet: 'k wil 't u geven;
Dat woord vernedert hem, beschaamt, en doet hem zeer:
Ontfang' hy 't blijgemoed, met de oogen opgeheven;
Maar schenke uw hart het hem, en vorder 't nimmer weêr.





Willem Bilderdijk (1756-1831)
uit: 
Avondschemering (1828)

woensdag 4 november 2015

Donderdag


5
November

November


Het regent en het is november: 
Weer keert het najaar en belaagt 
Het hart, dat droef, maar steeds gewender, 
Zijn heimelijke pijnen draagt. 

En in de kamer, waar gelaten 
Het daaglijks leven wordt verricht, 
Schijnt uit de troosteloze straten 
Een ongekleurd namiddaglicht. 

De jaren gaan zoals zij gingen, 
Er is allengs geen onderscheid 
Meer tussen dove erinneringen 
En wat geleefd wordt en verbeid. 

Verloren zijn de prille wegen 
Om te ontkomen aan den tijd; 
Altijd november, altijd regen, 
altijd dit lege hart, altijd. 

J.C. Bloem 
Uit: Het verlangen 1921 
opgenomen in 'Verzamelde gedichten' 
Copyright © 1965 Athenaeum – Polak & Van Gennep 

Woensdag

4
november


Weerkeer

De zon schijnt en het is november
weer keert de warmte en zij schraagt
het hart dat steels, maar steeds ontremder
om langverloren vreugde vraagt.

En in de duinen, uitgelaten,
liep ik met mijn ogen dicht;
huiswaarts scheen er uit de straten
zongekleurd namiddaglicht.

Laat de jaren nu maar komen,
er is allengs geen onderscheid
meer tussen onuitspreekbare dromen
En wat geleefd wordt en verbeid.

Onnodig zijn de prille wegen
om te ontkomen aan de tijd;
Altijd gelukkig, altijd zegen,
Altijd dit stille hart, altijd.


Michiel van de Vliet

dinsdag 3 november 2015

Dinsdag

3


november

November
Het al schaarse morgenlicht
wordt gefilterd door de nevels.
Ik loop bij gebrek aan zicht
tastend langs de huizengevels.
Het is koud en het is nat,
en ik heb het wel gehad.
O no!
No, no!
November.

Deze troosteloze maand
doet de doden weer ontwaken
en we lopen met betraand,
bleek gezicht ons moe te maken.
Het is nat en het is koud,
en de halve wereld rouwt.
O no!
No, no!
November.

Bomen vullen weer hun tijd
met bestrooi van dode blaadren.
Op dit knisperend tapijt
horen wij de winter naadren.
Het is koud en het is nat,
en ik ben het meer dan zat.
O no!
No, no!
November.

Musonius (Martijn Breeman)

maandag 2 november 2015

Maandag

2


november

Bourgeois en proletariër

Zij schatten honend zijn waarde
Met de maat van het stomme geld,
Naar de factor zijner slijtage,
Naar de jaren die hij telt.

Zij verbruiken de kracht van zijn leven
In hun harde meerwaardefabriek,
En gunnen den rest aan de wormen,
Als een vuile, waardloze kliek.

Zij hebben bittere zorgen
Om zijn godsdienst en zedelijkheid,
Zij volgen hem tot in zijn woning
Met verwaande weldoenerigheid.

Zij willen hem commanderen
In zijn vreugde en zijn smart,
En met hun plompe poten
Trappen ze hem op het hart.

En met hun domme verbazing
Kijken ze in zijn gezicht,
En begrijpen niet de hoogheid,
Die in zijn trekken ligt.


Dirk Jelles Troelstra (1870-1902)

zaterdag 24 oktober 2015

Zaterdag

24

oktober



Adriana de Buuck

Een zestiende-eeuwsche Vrouwe van geen twintig jaar.
Het voorhoofd, smal maar jong en effen, is omgeven
door het devotelijk teruggekamde, en even
door een fijngazen muts gedekte, bruine haar.

Roerloos staat de figuur: geheel in zwart - en waar,
uitglippend onder bont, de mouwen ietwat leven,
door hun warm karmozijn, aan 't doodsche kleed gaan geven,
liggen de handen stroef en bijna kleurloos op elkaar.

En kalm, tè kalm kijkt deze jonge vrouw. Men raadt
een vuur, dat ook die weeke roode mond verraadt,
dat in die starende oogen is teruggedrongen.

Een ondervoed gevoel, door een verbruut gemaal,
door kerkdienst, sloom gebaar en ingetogen taal,
een moedermaagd onwaardig, als door stààl bedwongen.



Reprise (na 6 jaar)

Zoo schreef ik. Want wat wist ik van uw zonden?
ik, op mijn teenen onder uw portret.
Een kind kon niet uw hoog gemoed doorgronden:
gij leekt mij schoon als een beheerscht gebed.

Ik zag niet dat uw mond zoovele monden
gelaafd had, dat gij steeds weer hadt gered
de door uw schoonheid reddeloos gewonden,
gevend uzelve: schroeiend, onbesmet.

Eénige gave in dit armzalig leven,
van god of duivel die ons 't leven gaf;
o gif en tegengif vòòr 't feilloos graf!

En wat daar in uw oogen stond geschreven
was koele haat en minachting voor straf,
en bittre spijt niet méér te kunnen geven.


E. du Perron (1899-1940)

dinsdag 13 oktober 2015

Maandag

13

oktober



Ze hebben
hun moskee gebouwd
om onze gulden
van god.

Ze
zijn gekomen
als soldaten
maar zonder
geweer.

Hun wapen
is honger.

Ze
zijn hier
als veroveraars
van recht
op leven.

Jan Arends (1925-1974)

uit: Lunchpauzegedichten