vrijdag 23 december 2016

Vrijdag
23

December






De wind onder de blaren
laat ze opspringen in
een cirkeldans
tot boven
waar zij
vandaan komen
en omlaag
zweven tegen
een achtergrond van
goud oranje rood bruin zwart


Geert Vroom (1953-2004)

woensdag 21 december 2016

Woensdag
21

December

Advent

In deze laatste week van de advent
zou het moeten gaan sneeuwen: ieder jaar
zijn het dezelfde dingen waar je naar
verlangt. Dus sneeuwt het niet; maar alles went.

Je steekt de kaarsen aan op het dressoir,
en denkt aan alle doden die je kent.
Terwijl je wacht op een gemist moment
schuiven de dagen naadloos in elkaar.

Je poogt je tegen beter weten in
iets te herinneren wat er niet was,
omdat wat weg is diepte heeft en zin.

Je draait muziek, drinkt thee, je leest een boek
dat je ook lang geleden al eens las.
Maar alles is onachterhaalbaar zoek.



Jean-Pierre Rawie (1951)

zondag 18 december 2016

Zondag
18

December

Ge hebt mij tot de Zandman horen smeken
of hij maar strooien wil met gulle hand,
opdat ik word bedolven onder zand,
waar men nog slechts een zerk in hoeft te steken.
 De morgen hoeft voor mij niet aan te breken.




Musonius (Martijn Breeman)

zaterdag 17 december 2016

Zaterdag

17

December

Niet en kander beter passen,
als dat t’samen is gewassen.

Als van twee gepaarde schelpen
D’ene breekt, of wel verliest,
Niemand zal u kunnen helpen
– Hoe men zoekt, hoe nauw men kiest —
Aan een, die met effen randen
Juist op d’ ander passen zou.
D’ oudste zijn de beste panden,
Niets en gaat voor d’ eerste trouw;
D’eerste trouw, die leert het minnen,
D’eerste trouw is enkel vreugd,
D’eerste trouw, die bindt de zinnen,
Zy is ’t bloem’tje van de jeugd.
Naar mijn oordeel: twee-maal trouwen
Dat is veel niet zonder pijn;
Drie-maal, kan niet als berouwen,
Want hoe kander liefde zijn?
Houdt uw eerste lief in waarde,
Eert ze met een volle zin;
’t Is een Hemel op de aarde,
Zo je paart uit rechte min.
Jacob Cats (1577-1660)


Ongewone gunstbewijzen
doen Gods goedheid dubbel prijzen.

Als van twee gepaarde schelpen
De ene breekt of wel verliest,
Nog zal God u kunnen helpen,
Mits gij niet voorbarig kiest,
Aan een die met effen randen
Nog eens juist op de andre past
En, gezegend door zijn handen,
Lieflijk met haar samenwast.
Blijft gij dit onmooglijk keuren
Bij de schelpen onzer zeên,
Echter laat het God gebeuren
Bij die andre, die ik meen.
Is dan niet dat tweede trouwen
Voller bron van rijk genot,
Naar men ’t meerder moet beschouwen
Als een wonderwerk van God?
Werd zijn goedheid nooit vergeten
Bij ’t genot der eerste min:
Hem dit Wonder dank te weten
Heeft iets wonder-zaligs in.

Nicolaas Beets (1814-1903)

donderdag 1 december 2016

Vrijdag

2

December


Polderland

De verten komen eindeloos mij tegen,
gaan door mij heen en achter mij teloor.
Ik rijd zo blank langs altijd weer nieuwe wegen,
recht en gelukkig, en weet niet waarvoor
ik zoveel hemel heb van God gekregen,

met zoveel wolken en met zoveel dromen,
met zo’n oneindig aantal kleuren grijs.
Dit zijn de luchten waar God weer zal komen,
dit is het landschap voor zijn paradijs.

Ach, d’avond valt. – Rijd ik het donker door,
dan is het groot geluid van wind en regen
het enig landschap in mijn diepe oor.


J.W. Schulte Nordholt (1920-1995)

uit: Levend landschap (1950)
Donderdag

1

December


Van uit een nieuwe wereld treedt
een man mij aan met enge kleed,
schittrend zooals ik nimmer zag,
met ’t hoofd zoo stralend als de dag.
Hij heeft geen enkel sieraad aan
van slaafschheid en geen enklen waan,
maar hij is zuiver als een man
naakt opgegroeid maar wezen kan.
Hij heeft den arm in zuivre vuist,
hij heeft het been tot zuivren voet,
en om het trotsch gelaat, gekuischt,
hangt stil en hoog een sterke gloed.
*
Van uit een nieuwe wereld treedt
een vrouw mij toe met hangend kleed,
zoo helder als ik nimmer zag,
het oog zoo stralend als de dag.
Zij heeft geen enkel sieraad aan
van schuwheid, en geen enklen waan,
maar zij is zuiver als een glas,
alsof ze zoo geboren was.
Haar arm is in een zuivren hoek,
in schoone stralen valt haar doek,
en om haar schoon gelaat, gezond,
speelt ’t helderst licht van keel en mond.

Herman Gorter (1864-1927)