zondag 27 augustus 2017

Zondag
27
augustus

Het oude lied

Zoals een nachtbloem die zich zacht ontvouwt
zie ik den morgen maagdelijk ontluiken:
achter het scherm van zwarte, naakte struiken
wordt blauw de lucht en alle wolken goud.

De kerselaar beweegt in zuidenwind
zijn blanke bloesems in één nacht ontloken;
de zwarte merel fluit onafgebroken
en in den stillen ochtend zingt een kind.

En bij dat licht, dien zang en dat gefluit
herleeft het heimwee naar een oud verlangen:
weer ben ik, aarde, in uwen strik gevangen,
weer leen ik ’t oor naar uw verliefd geluid…

Nog is mijn hart het willig instrument,
dat in uw lied zijn ziel heeft weergevonden,
en bij ’t herdenken aan de blijde ronde,
trilt het van vreugd als het den klank herkent.

Jan van Nijlen (1884-1965)

uit: het Aangezicht der Aarde

zaterdag 26 augustus 2017

Zaterdag
26
augustus

Winternacht

Soms vouwt de winternacht
zich als een waaier open,
en gloeit in ’t helder blauw
van blinkend staal en ijs,
zoals een stille lach
die antwoordt op mijn hopen,
het lieflijk wonderlicht
van ’t aardse paradijs

Jan van Nijlen (1884-1965)

uit: de Vogel Phoenix

vrijdag 25 augustus 2017

Vrijdag
25
augustus

Somber voorjaar

Nooit is de zon zo slordig heengegaan
als dezen avond en haar laatste stralen
waren zo kleurloos nooit. En ook de maan
die rijst heeft haast geen glans. Van nachtegalen

zal ik niet eenmaal spreken: hun bestaan
blijkt enkel uit de ontroerende verhalen
van oude kinderboeken. Zie, daar gaan
verliefden, die langs donkre wegen dwalen,

alsof de wereld was één heerlijkheid
van kleuren en van onverwachte weelden.
Ben ik het, of zijn zij het die, verblind,

niets van de wereld zien dan ’t ingebeelde
schouwspel van hun verdriet of zaligheid?
-  Er was een tijd… Ik ook was eenmaal kind.

Jan van Nijlen (1884-1965)

uit: de Vogel Phoenix

dinsdag 15 augustus 2017

Dinsdag
15
augustus


Heloise en abelard
Alles had ons moeten scheiden,
alles bracht ons tot elkaar;
van een grondeloos verblijden
werd de najaarshemel klaar.

Nooit in 't bitterste uur van lijden
vroeg het hunkrend hart: tot waar?
Alles had ons moeten scheiden,
alles bracht ons tot elkaar.

Liefde die geknecht moet strijden
wordt eens luide en openbaar;
eens dekt ons dezelfde baar
die voor eeuwig zal bevrijden.

Alles had ons moeten scheiden...


Jan van Nijlen (1884-1965)
uit: de Vogel Phoenix

maandag 14 augustus 2017

Maandag
14
augustus

Grafschrift van een filosoof

Naakt was ik, toen ik werd geboren;
Naakt lig ik onder dezen steen;
'k Heb, sedert ik op aard verscheen,
Dus niets gewonnen of verloren.

Is 't wonder, dat de mensch in 't leven
Het beste spoor zoo moeilijk vindt ?
Twee gidsen, die hem voort doen streven,
En beurtlings wenk en spoorslag geven,
Fortuin en Min zijn beiden blind. 





Johannes Immerzeel (1776-1844)

vrijdag 11 augustus 2017

Vrijdag
11
augustus


Achtste grafgedicht

Maria van Burgondië ligt te Brugge in brons;
Ilaria del Caretto in Lucca lieflijk ligt,
in marmer uitgehouwen 't wassen aangezicht,
zooals Medea Colleoni in Bergamo.

Het vleesch der afgestorvenen wordt op aard verdrongen
door marmer, brons, arduin; zilver en goud
op urnen, tomben, schrijn en sarcophaag behoudt
reliëf bedriegelijk voor aderen, beenderen, longen.

Waardoor, waardoor verblijft uw lichaam hier?
Wat neemt op aard de plaats in die gij naamt?
Welk koper, welke steen vervangt er uw geraamt?
Alleen mijn woorden, letterteekens, inkt, papier
.




Christine D'haen (1923-2009)
uit: Twaalf grafgedichten voor Kira van Kasteel

donderdag 10 augustus 2017

Donderdag
10
augustus

La condition humaine

Straks komt de tijd dat ik niet meer zal weten
wat er gebeurt hier en in ’t buitenland,
en dat het glas gaat beven in mijn hand
eer ik in slaap val bij het middageten;

dat ik verbijsterd aan een waterkant
vraag: is dat nu de Schelde of the Lethe,
dat ik ’t insekt verwar met kruid en plant
en zelfs de naam der bloemen ben vergeten.

Maar dat ik, kind, de volheid heb bezeten
van het geluk in een verloren land,
dat is het éénge wat ik nog zal weten.


Jan van Nijlen (1884-1965)