donderdag 7 september 2017

Donderdag
7
september

Twaalf grafgedichten voor Kira van Kasteel


Derde grafgedicht

De prachtige vrouwen die den herfst versieren
met roestig bruin, fluweelen groen en ros,
den opgebonden donkerblonden tros
der haren en gebaren der feline dieren

roepen u weder op, uw kostbaar vuur
waarbij gij verwen roerde voor de wol,
eerst ruw en dan gewasschen zacht en vol,
gesponnen en geweven uur voor uur.

Glinsterend en mat gelijk een goudfazant
brak in uw diep mortier de regenboog,
scherp overwaakt door uw groot ernstig oog.
Dan werd uw kleederdracht een najaarsland:

gedempt gelijk de kleine jachtpatrijs,
gloeiend gelijk een trotsche verderdos.
Gij werdt getroffen met één schot in't bosch,
somber bedekt met glas en winterijs.


Christine D’haen (1923-2009)

woensdag 6 september 2017

Woensdag
6
september

Twaalf grafgedichten voor Kira van Kasteel


Tweede grafgedicht

Gij hebt uw maat gehad, gij hebt genoeg.
Iedere dag ontbloeide u als een roos
die overbodigheid in ’t bloeien koos
en uw verwildering kwam niet te vroeg.

Uw violet en geel, uw groen en bruin,
uw teere en strenge gratie van Degas,
uw bont borduursel op de weefstoella
zijn in uw stilte stil als in een tuin

de bloemen en de vogels rond den nacht.
Wat wij verwachten hebt gij reeds volbracht.


Christine D’haen (1923-2009)

dinsdag 5 september 2017

Dinsdag
5
september

Twaalf grafgedichten voor Kira van Kasteel
obiit October 1950

Eerste grafgedicht

Uw weefgetouw met purper, ros en groen,
geworpen en gewisseld naar uw lust,
uw spoel en spinnewiel zijn nu gerust.

Gij Spaansch, scherp vuur, in Holland koel
getemperd, maar nog brandend in het bloed
met  bittre prikkelingen door het zoet.

Gerecht, onomgekocht Inquisiteur,
hebt gij de menschen en hun Maker onderzocht
dan woordloos verder aan uw werk gewrocht.

Tengere kracht, en koninklijke keur;
Prinses, die d’assche rakelt in de haard,
was al uw armoe goud, omdat gij ’t waart.

De herfst bevrucht den grond met zomerpracht,
en gij wordt aarde, uw oogen mild en grijs,
uw sterke tanden worden zelve spijs.

Vaarwel in eeuwigheid, uw rust zij zacht!
Wij zijn bevrijd om u, die stoffeloos
alles ineens verliet, en vrijheid koost.’


Christine D’haen (1923-2009) 



maandag 4 september 2017

Maandag
4
september

De sterveling

De sterveling is een boek, somtijds in marokijn
En rijk op sneê verguld, gebonden;
Waar in, hoe prachtg 't ook moog'zijn,
Toch vast op iedre zijde een vetvlak wordt gevonden.





N.J. Storm van 's-Gravesande (1788-1860)
uit: 
Luimige poëzy (1827)

zondag 3 september 2017

Zondag
3
september



De waarheid

De waarheid is een brood, slechts goed voor scherpe tanden;
Een spijs, die aan den disch liefst elk voorbij laat gaan;
Een boek, dat menig slechts gedwongen neemt in handen;
Een bruid, waarnaast geen mensch als bruigom graag wil staan.


N.J. Storm van 's-Gravesande (1788-1860)
uit: 
Luimige poëzy (1827)

zaterdag 2 september 2017

Zaterdag
2
september

Vroeger en nu

Die vroeger zeide, of schreef, of prenten liet,
Wat ieder dacht, die dacht, werd, zonder sagen,
Na kort proces, het paste hem of niet,
Gehangen of verbrand, of doodgeslagen.
Men leeft nu slimmer met zoo'n stouten gast,
Men laat hem zonder brood of broodambt loopen,
Verduikt zijn schrift, waar niemand tegen bast,
En laat hem met den dood zijn moed bekoopen. 




Prudens van Duyse (1804-1859)

vrijdag 1 september 2017


  • Vrijdag
1
september

Oud en dwaas

Ik had een afspraak, en in roode zijde
En schoon gewasschen trad ik voor den spiegel,
Ik schrok en toornig trapte ik op het glas.

Ik zag: mijn haar was grijs en dor geworden.
Mijn oogen waren als het groezlig water,
Vlak op den bodem van een diepen put.

Ik zag ’t gebarsten leder van mijn wangen,
En zeide: niemand zal mijn weeke lippen
Meer kussen tot een vollen rooden bloei.

Ik was zeer toornig en vertrad den spiegel.
En weenend zocht ik naar den ouden trooster:
Ik borgde warmte en vreugde van den beker,
En droomde mij op zijden kussens jong.


Willem de Mérode (1887-1939)
uit: Chineesche gedichten (1936)