woensdag 29 november 2017

Woensdag
29
november

Het gruwelijke

Toen zij moest beleven hoe de gesel van de spijt
haar meedogenloos kastijdde en van pijn half deed verdoven,
haar gangen had bezwaard, haar vreugden had verstoven,
toen draaide zij zich om en riep haar kindertijd.

Zij zocht een invalshoek, bezeten maar bedaard,
en achtte het een ridderplicht haar moeder te boetseren
met vaste hand en koele blik en zonder te chargeren
en zo werd elk detail van huis en haard vermeldenswaard.

Wij erven veel verdriet. Een wond spookt jaren rond
of blijft een gruwelijk schrikbeeld dat maar niet wil vervagen
daar wij de ooit door ons verwonde niet meer kunnen vragen
wat hij of zij er toen en daar in feite zelf van vond.

Zij vroeg het aan de vulpen in haar oude rechterhand.
Families zijn een puzzel waarin kinderen willen passen
tot zij stukjes kunnen missen; zo worden zij volwassen.
Zij dacht: ik heb flagrant gefaald in dat gezinsverband.

Want al wat nimmer werd gedaan, onze gedroomde daad,
wordt groter en telt zwaarder met de jaren.
Er tolt een kolk van spijt die zich niet laat bedaren.
Zelfverwijt. De godvergeten vloek waar nooit een maat op staat.

Zo vloden jaren heen. Zelfs kinderen gingen dood.
Maar wisten dat de vrouw die zij hun moeder heetten,
geen ding uit heel hun leven ging vergeten
en alles zou vertellen aan het avondrood.





Kees van Kooten (1941)

dinsdag 28 november 2017

Dinsdag
28
november
Het huwelijk

Toen hij bespeurde hoe de nevel van den tijd
in d' ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven,
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij den baard
en mat haar met den blik, maar kon niet meer begeren,
hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard.

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar tóch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.

Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land.

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in den weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man dien zij hun vader heetten,
bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke aanblik bood.

Rotterdam, 7 mei 1910.
Willem Elschot (1882-1960)

maandag 27 november 2017

Maandag
27
november

De man die goede pakken droeg

Ik deelde het bed met een man die goede
pakken droeg, schoenen om voor op de knieën
te gaan. Zijn oortjes had hij volgestopt met muziek.
In een voorjaar groeide een struikje verstandige
opmerkingen uit zijn mond. Het struikje
werd een boom en de man verdween in de grond.

Nu draag ik zijn pakken, ze zitten mij wat krap,
net zoals mijn tuintje onderhand te klein wordt
voor de boom. De realiteit aanvaard ik.
Er is maar weinig informatie nodig
om de wereld te begrijpen.





Jan Glas (1958)
uit: Het waaide er (2017)

zondag 26 november 2017

Zondag
26
november

Langs de oever

Ik struinde weer eens langs de Oude Rijn.
Het lange gras stond vol met vliegenzwammen.
Mijn rug vond rust bij witte berkenstammen.
Zo’n plekje om perfect alleen te zijn.

Ik werd gewekt door strelende gezangen.
Een stem zo broos als late zonneschijn
zong van november in een herfstrefrein.
De klanken bleven in de nevel hangen.

Toen werd het stil, er klonk alleen nog water.
Ik zocht en vond de bron minuten later.
Daar stond een man, de stem door mij aanbeden,

met helm, geel vest en laarzen van groen rubber
tot aan zijn enkels in de koude blubber
vlak naast het bordje “OEVERWERKZAAMHEDEN”.


Helder

maandag 20 november 2017

Maandag
20
november

Rondeel

De droom verliest zich in het lied,
Het lied zweeft in den nacht te sterven,
En wie zijn aardsche heil moet derven,
Gaat met het lied droomloos te niet.

De huizen bergen het verdriet,
Dat door den leegen dag moest zwerven,
De droom verliest zich in het lied,
Het lied zweeft in den nacht te sterven.

En om een glans die snel vervliet,
Om 't hart dat wil bezit verwerven,
Om bloed dat jaagt naar zijn verderven,
De nacht zingt ijler dan een riet:
De droom verliest zich in het lied.

H.W.J.M. Keuls (1883-1986)

vrijdag 17 november 2017

Vrijdag
17
november


Meneer Xi

Ach moeke, da’s toch Jezus nie
Die ze daar op gaan hangen?
Nee Fritske, dat is meneer Xi
Die wil hem graag vervangen

Arme Chinezen op het platteland moeten afbeeldingen van Jezus vervangen door die van president Xi, teneinde in aanmerking te komen voor steun.


Otto van Gelder

zondag 5 november 2017

Zondag
5
november


Herfstweide met koeiedrek

Vaak loop ik met een knik van moeheid in de nek
en vind den bijl moderner dan de guillotine
dat cynisch hoofd op de romantische ruïne
van lijfsverdriet – cultuurverraad in kort bestek

Het meisje van mijn hart lijdt al te groot gebrek
mijn tederheid is een verholen pantomime
mijn wellust de door ’t speelmoment vereiste grime
de requisieten: herfstweide met koeiedrek

Straks ben ik thuis en droom van vrouwen zonder lijf
en zonder stem vooral, in zijden crinoline
goedkoop als attribuut maar thuis in de ruïne

waar zij mij, aanzwevend, in boeiend spookbedrijf,
geboren uit een hostie bittere morphine
het heilig Sacrament der stervenden toedienen.


Anna Blaman, 1905-1960

(uit: De gedichten)