zondag 3 maart 2019


zondag
3
maart

Jaloers II

Als kind mocht niemand met zijn blokken spelen
En kreeg hij van zijn ma een nieuwe bal
Dan trapte ook alleen hijzelf daartegen

Zijn bed met iemand delen? Ben je mal!
En ook zijn Rolls niet of zijn DC-9
Of al die lappen land die hij bezat

En toen hij later kanker had gekregen
Toen wou het maar niet woekeren omdat
De cellen zich gewoon niet wilden delen

Ja, egoïsme is een medicijn
Waar medici jaloers op kunnen zijn

Frank van Pamelen



zaterdag 2 maart 2019


zaterdag
2
maart


Varium et mutabile

Het laatste zonlicht doofde.
De laatste bloem ging toe.
Ik legde mij te slapen,
Van 's levens grillen moe.

Toen streek er in het duister
Een windvlaag langs mijn wang.
Ik schrok. Uit ijle verten
Klonk vloeiend psalmgezang,

En midden in de kamer
Stond plotseling een vrouw
In stralend witte kleren.
‘O,’ riep zij, ‘toon berouw!

Uw lichaam is bedorven
Uw hart van zonden rood.
O mens, verlaat uw dwaalweg,
Uw ziel verkeert in nood!’

Ik wierp de lakens van mij,
Omvatte haar kordaat,
En drukte zonder schromen
Een kus op haar gelaat.

‘Mevrouwtje,’ riep ik stralend,
‘Het is gelijk u zegt:
Ik ben van kruin tot voeten
Boosaardig, vals en slecht.

Maar nu een ander hoofdstuk:
U bent verblindend schoon.
Uw ogen zijn als duiven,
Uw haren als een kroon,

En wat betreft uw lichaam:
Het geurt naar marjolein.
Mag ik u dringend vragen
Mijn vrouw te willen zijn?’

Zij heeft besmuikt gelachen,
En glunderend bekend:
‘Ik zoek al heel mijn leven
Zo'n leuke beursstudent.’

Toen dronken wij Chartreuse,
En aten brood met ei,
En bleven altijd samen,
En waren altijd blij.

Simon Knepper

donderdag 28 februari 2019


donderdag
28
februari


Openbaring 1:9

De boottocht was qua reiscomfort al niks
Het welkom kil, de kamer bleek een grot
De service was er zonder meer schandalig

Veel onweer, herrie, ongedierte, mot
De hinderwetten schond men er grootschalig
Geen ruiter hield zich aan het reglement

Maar ik (Johannes) vond het eiland zalig,
Voor wie het zien wil, vol amusement
Ik zag het daar, en hoe. I got my kicks.

En dus volhard ik hier in mijn verklaring:
Die trip op Patmos was een Openbaring

De Tweede Ronde, winter 1996
© Hendrik Jan Bosman



woensdag 27 februari 2019


woensdag
27
februari


Allegretto


Als januari maart was

En juni was april,

Verkocht ik mijn bezittingen

En leefde voortaan stil;



Maar als het maandag dinsdag werd

En donderdag viel uit,

Dan scheurde ik mijn klederen

En weende voortaan luid.
Simon Knepper

zaterdag 23 februari 2019


zaterdag
23
februari

‘Stokske van Oldenbarnevelt,

Mijn wens behoede u onverrot,
O Stok en stut, die, geen verrader,
Maar ’s vrijdoms stut en Hollands Vader
Gestut hebt, op dat wreed schavot;
Toen hij voor ’t bloedig zwaard most knielen,
Veroordeeld, als een Seneka,
Door Nero’s haat en ongenâ,
Tot droefenis der braafste zielen.
Gij zult nog, jaren achter-een,
Den uitgangk van dien held getuigen,
En hoe Geweld het Recht dorf buigen,
Tot smaad der onderdrukte Steên.
Hoe dikwijl strekt gij, onder ’t stappen
Naar ’t hof der Staten, stadig aan,
Hem voor een derden voet, in ’t gaan
En klimmen, op de hoge trappen;
Als hij, belast van ouderdom,
Papier en schriften, overleende,
En onder ’t lastig landspak steende!
Wie ging, zo krom gebukt, nooit krom!
Gij rustte van uw trouwe plichten
Na ’t rusten van dien ouden stok,
Geknot door ’s bloedraads bittren wrok:
Nu stut en stijft gij nog mijn dichten.

Joost van den Vondel (1587-1667)



maandag 18 februari 2019


maandag
18
februari

Hebben en Zijn

Op school stonden ze op het bord geschreven,
het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven
de ene, werkelijkheid, de andre schijn.


Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
vervuld worden van goddelijke pijn.


Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.


Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
is kind worden en naar de sterren kijken,
en daarheen langzaam worden opgetild.


Ed Hoornik (1910-1970)



zondag 17 februari 2019


zondag
17
februari

Van de drank

De wijn is voor de mens en voor de rapste geesten,
Maar water uit de beek ten dienste van de beesten,
Al wat de wijngaard geeft dat is een schone vrucht,
Om al wat droefheid smaakt te drijven op de vlucht.
Wijn dient van goede reuk en goede smaak te wezen,
Dan nog een klare glans die wordt er in geprezen,
Ook dient hij niet verschraald, maar vers getapt te zijn,
En vocht aldus gesteld dat noem ik goede wijn.
Maar wijn van rode verw dient niet te veel geschonken,
Want ’t maakt de buiken hard in overmaat gedronken.


Ik moet in dit geval de vrienden doen gedinken,
Van al te nieuwe most niet al te veel te drinken,
Want dat en doet de blaas noch ook de mage goed,
Dus gaat niet tot de most met al te rasse spoed
’t Is beter dat de wijn haar klaarheid mag bekomen,
Eer dat ze wat te veel dient in te zijn genomen,
Men heeft van oude tijd die luiden wijs geschat,
Die dronken klare wijn en uit het oudste vat.



Jacob Cats (1577-1660)