vrijdag 23 augustus 2019


vrijdag
23
augustus

straks lig je daar, te rusten onder zand
of klei of wat dan ook, een meter diep
gestorven aan de cholera of griep
vermorzeld door een dolle olifant

wat maakt het uit, het is niet relevant
je bent terug bij wie je leven schiep
je moest direct op reis toen Hij je riep
en maakte zelfs je rommel niet aan kant

voor schoonmaak krijgt niet iedereen de tijd
en voor je klusjes stuurt Hij ook geen meid
maar ach, wat zou een hulpje kunnen doen

wat kan het schelen ook, ga goedgeluimd
je hebt al zoveel rotzooi opgeruimd
en kunt nu rustig gaan met goed fatsoen

Jacob van Schaijk

dinsdag 20 augustus 2019


dinsdag
20
augustus

Het naakte meisje

Zij ligt, zoo rijk in haar ontroerend naakt,
Zoo argeloos, ontdaan van alle kleêren:
Een kind niet radend wat het doet ontberen
En toch zoo schoon, zoo lieflijk en volmaakt.

Stil, als een bloem in schaduwen ontwaakt
Wier broosheid zelfs het zonnelicht zou deren,
Bloeit haar lichaam: mild-rose voor den teêren
En diepen grond die somberkleurig vlaakt.

Vreemd: haar figuur zoo jong en fijn-gebouwd
Doet niet de wilde hartstochten opbruisen
Van wie haar zoele heerlijkheid aanschouwt

Doch voert zijn denken naar een land van droom
Waar langs een weg de hooge boomen ruischen
En de avondlucht vervuld is met aroom.


J.G. Danser (1893-1920)
uit: Gedichten (1922)

woensdag 7 augustus 2019

woensdag
7
augustus

Lof van Utrecht

Stad, ik ben nietig als een stille plant,
die argeloos ontluikt in uw plantsoenen;
ik schuil in u voor ’t wiss’len der seizoenen
en bloei mijn bloemen in uw warme hand.

Of, nog veeleer ben ik van uw mosgroene,
rustieke torens aan de singelkant
een duif, die er zijn jonge vlerken spant
maar altijd weerkeert in de bladfestoenen.

O stad, ik heb u lief, ik ben uw kind;
ik ken uw parken, kerken en uw pleinen
als een die er verrukt zichzelf hervindt.

Maar ook, zo waar als ik uw kind mag zijn en
dit vers zich duizelend daarop bezint,
wordt uw bestaan bezegeld met het mijne.


Ad den Besten (1923-2015


zondag 4 augustus 2019


zondag
4
augustus


Avondimpressie

Hoe komen de boomen zoo zwart?
De wolken zijn klein en verdwijnend,
De hemel is licht en doorschijnend,
Hoe zien dan de boomen zoo zwart?

De weiden zijn groen als smaragd
En zacht als fluweel, maar de beesten
Zijn donker, ten minste de meesten,
Want al, wat rechtop staat, ziet zwart.

De wieken der molens zijn zwart
En draaien – een dwaze vertooning –,
En zwart is de arbeiderswoning,
En de kerk en de toren zien zwart.


Jacqueline van der Waals (1868-1922)

woensdag 24 juli 2019


woensdag
24
juli

Wasdag

Een koude dag in Krimpen aan den IJssel
Een maandag, want de was was al gedaan
Het linnengoed was strak en hard van stijfsel
Katoenen hemden, wit gelijk een zwaan

Een maandag want de was was al gedaan
De eerste dag van deze nieuwe week
Katoenen hemden, wit gelijk een zwaan
De lakens lagen op de oude bleek

De eerste dag van deze nieuwe week
Een Moeder stond de bedstee te verschonen
De lakens lagen op de oude bleek
Corné de trouwe melkman kon zo komen

Een Moeder stond de bedstee te verschonen
Zo blozend als een jonge schuwe maagd
Corné de trouwe melkman kon zo komen.
(dit bloesje was wellicht iets te gewaagd?)

Zo blozend als een jonge schuwe maagd,
ging zij een bakkie verse koffie zetten.
(dit bloesje was wellicht iets te gewaagd)
Ze moest goed op de melk blijven letten

Ging zij een bakkie verse koffie zetten?
Zo lang zou hij toch ook niet kunnen blijven
Ze moest goed op de melk blijven letten,
gezien de roddel van die oude wijven

Zo lang zou hij toch ook niet kunnen blijven,
Misschien lukt’t direct de eerste keer
Gezien de roddel van die oude wijven,
Ze wilde liever na vandaag niet meer

Misschien lukt’t direct de eerste keer
De laatste keer was ze heel spoedig zwanger
Ze wilde liever na vandaag niet meer
Maar nu duurt het misschien een beetje langer

De laatste keer was ze heel spoedig zwanger.
Ze staarde naar de lijn met drogend goed
Maar nu duurt het misschien een beetje langer.
Zolang haar echtgenoot maar niets vermoedt

Ze staarde naar de lijn met drogend goed
Het linnengoed was strak en hard van stijfsel
Zolang haar echtgenoot maar niets vermoedt
Een koude dag in Krimpen aan den IJssel

Job A.Gorree

dinsdag 23 juli 2019


dinsdag
23
juli

Statig bloeit het
Madeliefje
Witte parel
In het gras

Rats, daar gaat de
Maaimachine
Waar de bloem
Zo-even was
Bert van den Helder



maandag 22 juli 2019


maandag
22
juli

Het kleine dorp

Laat ik u schrijven, vriend, hoe zalig stil
Het dorpjen is waar ik nu woon, gevlucht
Voor schrille stad en havenend gerucht,
Heelend mijn ziel en mijn verwoesten wil.

't Heeft weinig huizen rond een oude toren,
Om ieder huis een mildbloeiende heg,
Geen luide straat, maar smallen zachten weg
Van zand waarin geen stappen zijn te hooren.

De school is kleiner dan ons steedsche huis,
Van alle kindren ken ik stem en oogen,
In alle woningen voel ik mij thuis.

En van het duin gezien, het zonnige-hooge,
Ligt het klein dorp zoo zonnekleurig dat
Ik met één blik van liefde het omvat.


Jacob Israël de Haan (1881-1924)
uit: Liederen (1917)