maandag 27 januari 2020


maandag
27
januari

Laplacestraat

Ik zie je weer in deze straat.
De tijd heeft even stil gestaan.
Je hebt je rode mantel aan
en op je krullen een baret.

Je draagt een kleine rugzak met
voor onderweg een boterham,
een tandenborstel en een kam
en op je borst die gele ster.

Zacht zeg je “An, het is zo ver,
omdat vandaag de oproep kwam”.

Sinds ga ik door een hel van haat.
Dit beeld gebrandmerkt in mijn kop:
stil meisje met een rugzak op,
dat wuivende de straat uit gaat.

Anneke Hemrika (1923-2018)



zondag 26 januari 2020

zondag
26
januari

Honderd bloemen

Honderd bloemen mogen bloeien.
Grond en lucht genoeg voor alle
zaden knollen anjelieren.
Stenen moeten stenen blijven.
Mensen vliegen hoog als goden.
Maar de zuring en de klaver
mogen bloeien honderdvoud.

Korenbloemen, flarden blauwe
hemel, vlijmende papaver,
morgensterren aan de dijken
flemend om gezien te worden
woekerend in de populieren
als een nest de maretak,
de bloem der zoenen bitterzoet.

Op zijn stekelige stengel
bloeit en treurt de kale jonker
en geen vlinder zal hem vinden.
Tronken zullen twijgen dragen,
varens op bevroren ruiten
zullen wuiven, bloeien mogen
honderd rozen van papier.

Broos op stelen ongebroken,
wild en blindelings verstrengeld,
in spelonken, op de vaalten,
tussen schotsen ijs en boeken,
op de graven, mogen bloeien,
alle ongelijk eenzelvig,
honderd bloemen zonder naam.

In een woud van droomgewassen,
stenen wortels, stalen webben,
tochtig labyrint van woorden,
woont een mens, op brekebenen,
lelie van het veld, met ogen
tranend bijna blind van zoeken
naar een plek die water geeft.
Huub Oosterhuis


vrijdag 24 januari 2020


vrijdag
24
januari

Gerijmel van een ouder iemand 
                    
 
Aan ’t eind van wat men ‘sixties’ heet
herken ik amper mijn planeet,
de wereld die me geestkracht gaf –
zo hield ik chaos van me af.
 
De gouden tijd naar mijn idee
is al zo’n zestig jaar gelee,
met badkamers riant, royaal
en bidden voor het avondmaal.
 
Het auto- en het vliegverkeer
is efficiënt hoor, maar niks méér;
machinerie waar ik van droom,
die werkt op waterkracht of stoom.
 
De knop moest om: ik ben gezwicht
voor ’t adequaat elektrisch licht,
al koester ik de trappenhuizen
waarin nog vleermuisbranders suizen.
 
Familiespoken uitgedreven
maar niet hun waarden opgegeven:
dat plichtsbesef van protestanten
heeft praktische en mooie kanten.
 
Thuis zong men samen nog van blad,
’t was schande als je schulden had –
contant betaal ik tot mijn dood:
niks op de pof en nooit in ’t rood.
 
’t Vertrouwde kerkboek, goud op snee,
gaat onderhand drie eeuwen mee.
Een frisse preek is goed en wel,
getorn aan liturgie: een hel.
 
Seks was – en zal dat altijd zijn –
het allerlokkendste geheim,
maar de kiosk was toen nog vrij
van blaadjes vol smeerpijperij.
 
Welsprekendheid was kunst; was norm,
gold als beschaafde omgangsvorm.
Een scheet verdraag ik beter dan
vrij vers of zo’n nouveau roman.
 
Ook blijf ik verre van de school
die dweept met mythe en symbool;
wat ik betracht is: literaat zijn
voor lezers die niet van de straat zijn.
 
Als alles mag in elke les,
wie vindt dat onderwijssucces?
Wel wijzer waren de docenten
die mij Latijn en Grieks inprentten.
 
De ‘generatiekloof’ – ocherm,
we doen het maar met deze term –
wiens schuld die is? Van jong én oud
die niet zijn moerstaal onderhoudt.
 
Maar liefde en genegenheid,
die zijn nooit in, of uit de tijd.
’k Heb trouwe vrienden, inderdaad,
met wie ik eet, met wie ik praat.
 
En dan zou ík vervreemd zijn? Kul!
Ik die een nieuwe rol vervul,
nog mijn draai zoek in dit huis,
voel me bij wat echt is thuis.

 
Doggerel by a senior citizen, W.H. Auden (1907-1973)
vertaling: Judy Elfferich


zaterdag 18 januari 2020


zaterdag
18
januari

Op een schaap



Een wakker schaap uit Wervershoof
verwerpt het christelijk geloof.
Het lijkt haar onzin allemaal:
de scheppingsweek, het kerstverhaal
en Jezus lopend op een meer.
Ze zegt: 'De herder is mijn Heer.'


Wim Meyles



vrijdag 17 januari 2020


vrijdag
17
januari

Op een besneeuwde rozenstruik

Stuif vrij, gevlokte sneeuw! op 't rozenstruikje neder
dat eenzaam in de tuin ontbladerd staat en kwijnt.
Uw wollig kleed bedekk' 't voor vorst en winterweder,
totdat de lente weer in al haar glans verschijnt!
Dan groei' het schoner op met nieuw verkregen kleuren
door 't glanzig purperrood des dageraads bestraald!
De dampkring van rondsom verspreide zoetste geuren
en heerlijk zij de bloem die op de stengel praalt!

Zo moge ook eens deze aarde ons stofflijk deel bedekken
als de opgestoven sneeuw dit dorre struikje doet!
Eens zal de morgenstond der eeuwigheid ons wekken
en 'tgeen hier duister is, wordt Hemelzonnegloed.


Lubbertus Rietberg (1783-1826)

woensdag 15 januari 2020


woensdag
15
januari

Het kind dat wij waren

Wij leven ’t heerlijkst in ons vèrst verleden:
de rand van het domein van ons geheugen,
de leugen van de kindertijd, de leugen
van wat wij zouden doen en nimmer deden.


Tijd van tinnen soldaatjes en gebeden,
van moeder’s nachtzoen en parfums in vleugen,
zuiverste bron van weemoed en verheugen,
verwondering en teêrste vriendelijkheden.


Het is het liefst portret aan onze wanden,
dit kind in diepe schoot of wijde handen,
met reeds die donkre blik van vreemd wantrouwen.


’t Eenzame, kleine kind, zelf langverdwenen,
dat wij zo fel en reedloos soms bewenen,
tussen de dode heren en mevrouwen.



E. du Perron (1899-1940)
uit: Parlando (1930)

dinsdag 14 januari 2020


dinsdag
14
januari

I.M. Aart Staartjes


De oude man die in de diepte staart
en neerziet op het nietig aards gewemel
wist reeds: jou laat ik binnen in mijn hemel
jij bent hier heel hard nodig, meneer Aart

Voor jou heb ik één van de mooiste taken:
jij mag hier onze kindertjes vermaken

Ben Hoogland