donderdag 26 november 2020

 

donderdag

26

november

 

De theologie van Kraai

Kraai besefte dat God hem liefhad —
Anders was hij wel dood neergevallen.
Dus dat was bewezen.
Kraai leunde, in verwondering, op zijn hartslag.

En hij besefte dat God Kraai sprak —
Slechts bestaan was Zijn openbaring.

Maar wat
Had de stenen lief en sprak steen?
Zij leken ook te bestaan.
En wat sprak die vreemde stilte
Nadat zijn rumoer van gekras was weggestorven?

En wat had de hagelkorrels lief
Die uit de opgeknoopte verstervende kraaien drupten?
Wat sprak de stilte van lood?

Kraai besefte dat er twee Goden waren —

Een van hen veel groter dan de ander
Die zijn vijanden liefheeft
En alle wapens bezit.

Ted Hughes (1930-1998)
uit: Kraai. Uit het leven en de liederen van de Kraai (2020)

dinsdag 24 november 2020

 

dinsdag

24

november

 

LIJCAÖN

Dat andre Dichters vrij van Alexander zingen;
  Men heffe van Achill, of wel van Cesar aan:

  Ik doe die Helden recht, hun roem zal nooit vergaan,
Maar thans heeft eedler stof mijne ader doen ontspringen.

Ik zing den moedigsten van alle stervelingen.

  Ja dappre Lijcaön, ik zal wat groots bestaan;
  Verrukt, verbaasd, bekoord, om duizend wonderdaân,
Zal ik uw’ helden-kruin met eeuwig loof omringen.

  Meld dan mijn Zangeres, meld wat zijn arm bestond,

  Toen zich die andre Mars voor ’t spits des Vijands vond,
Beziel mij, zo ik ooit uw’ invloed heb genooten!

  Hoort Eeuwen! hij ontbloot zijn nooit verwonnen staal,

  Hij zwaait het om zijn hoofd tot zes of zevenmaal,
En… ‘wel? wat deed hij toen?’ ’t is waarlijk mij ontschooten.

 

Juliana Cornelia de Lannoy (1738-1782)




maandag 23 november 2020

 

maandag

23

november

 

Bittere spijt

In een vermaard Paleis, de roem der stadgenoten,
Waar rijkdom, wijs bezorgd, haar schat verbergt voor ’t licht;
Waar Themis op haar stoel voor goud noch bede zwicht,
En dierb’re wetten geeft, die ’t heil de volks vergroten;

Waar d’ edele Trouwgodin haar koordeur heeft ontsloten
Voor harten, diep gewond door ’t kleine minnewicht;
In ’t achtbaar praalgebouw, dat welvaart heeft gesticht,
Toen dwingelandij door deugd werd van ’t gezag verstoten;

Waar d’ ontrouw wordt gestraft, de onnozelheid verschoond;
Waar ’t hoog en ruim gewelf een open hemel toont;
Waar bouw- en beitelkunst elks ogen kan bekoren;

Waar ’t marmer echo’s vormt, op ’t volks herhaald gedruis;
In ’t achtste wonderstuk, in ’t Amsterdams Stadhuis
Heb ik (o bittere spijt) mijn zakdoek laatst verloren.

Lucas Pater (1707-1781)




woensdag 18 november 2020

 

woensdag

18

november

 

Huisuitzetting

Morgen om tien uur – zoo klonk het bevel –,
Gaan we je boel verkoopen.
Zes weken huurschuld – de man trekt van ’t steun -
Honger en droefheid drenzen hun dreun –!
De mensch durft niets meer – dan – hòpen –!

’s Morgens om tien uur – de straat zwàrt van volk –
Toonend hun solidair zijn –
Deurwaarder komt met z’n knechies en blaat:
‘Is dat rapaille tot zóó iets in staat?!
Werkelijk – kàn zooiets wáár zijn?!’

Vlak voor de deur staan kam’raads – kop aan kop:
Mènschen –, die niet verwikken.
De trappen, de ramen – kijk goed! – puilen uit –!
Dàn – snerpt een felle politiefluit –,
Hartstochtelijk laaiende blikken –!

De menschen zijn tot het uiterst bereid –,
Eén in hun strijd –, één van zinnen –!
Marcheerend in ren – komen knuppelaars aan –
Zien dan een strijdbereid leger staan,
En –, durven niets te beginnen –!

‘Rapaille’ – het stáát – geeft de daad – stil – bewust –,
Minachtend politieparade –!
d’ Agenten staan wat te grijnzen – ziet –
Maar de makkers – de kérels – ze deinzen niet –
Zóó moet het zijn – Kameraden!



Carel van Oeveren (1910-1942)
uit: Links richten (1932)






zondag 15 november 2020

 

zondag

15

november

 

De wereld gaat en gaat. als lang na dezen,

mijn roem verging, mijn kennis, hoog geprezen.

Wij werden voor ons komen niet gemist.

Na ons vertrek zal het niet anders wezen.



Omar Khayyam (1048-1123)



maandag 9 november 2020

 

maandag

9

november

 

De Oude en de Nieuwe Wereld

De Nieuwe Wereld, – zij is toch geboren,
in bloed en tranen werd zij toch geboren,
maar z’is heel anders dan wij dachten
en van een Paradijs is niets aan haar.
In haar leeft nog, dat wat wij allen haten:
het vuil, de smaad en het bederf der eeuwen,
– wij zelven brachten ’t mee, het leefde in ons –
en verstikt met zijn monsterlijke groeisels
het jonge zaad van dappre Kameraadschap
en Makkerliefde en Waarachtigheid.

En toch, en toch, – ons hart gaat naar haar uit.

Henriette Roland Holst (1869-1952)

 


Henrtiette Roland Holst schreef dit gedicht naar aanleiding van de Russische revolutie en Lenin. In 2020 zou het ook op de presidentswisseling in de VS kunnen slaan.

vrijdag 6 november 2020

 

vrijdag

6

november

De stervende Heyduk

‘Daal neder, o arend! Ter dood toe gewond,
Ligt Gabriël Zapol hier neêr op den grond.
’k Heb vaak met het vleesch en het stroomende bloed
Der woeste Pandoeren uw jongen gevoed.
Weldra strekt mijn hart, eens zoo groot, hun tot spijs.
Doch ’k smeek u vooraf om een vriendschapsbewijs.
Ga, breng deze tasch, van patronen ontbloot,
Aan Kolmar, mijn broeder – en wreek hy mijn dood.
Slechts twalef patronen, bevatte die tasch.
Hier liggen ook twalef Pandoeren in ’t gras.
De dertiende, Botzai, die schelm, zonder eer,
Sloop achter my om en hy schoot my ter neêr. –
Dees hoepring met hair, breng hem Klara, mijn bruid:
En treur ze om haar liefste met klaaglijk geluid.’

En de arend bracht Kolmar de ledige tasch,
En vond hem gezeten by kaart en by glas.
En de arend bracht Klara den hoepring met hair,
En vond haar met Botzai voor ’t huwlijksaltaar.

(Uit het Illyrisch.)




Jacob van Lennep (1802-1868)
uit: Gedichten, zoo oude als nieuwe (1851)