donderdag
26
november
De theologie van Kraai
Kraai
besefte dat er twee Goden waren —
Ted Hughes
(1930-1998)
uit: Kraai. Uit het leven en de liederen van de Kraai (2020)
donderdag
26
november
De theologie van Kraai
Kraai
besefte dat er twee Goden waren —
Ted Hughes
(1930-1998)
uit: Kraai. Uit het leven en de liederen van de Kraai (2020)
dinsdag
24
november
LIJCAÖN
Dat andre Dichters vrij van Alexander zingen;
Men heffe van Achill, of wel van Cesar aan:
Ik doe die Helden recht, hun roem zal
nooit vergaan,
Maar thans heeft eedler stof mijne ader doen
ontspringen.
Ik zing den moedigsten van alle stervelingen.
Ja dappre Lijcaön, ik zal wat
groots bestaan;
Verrukt, verbaasd, bekoord, om duizend
wonderdaân,
Zal ik uw’ helden-kruin met eeuwig loof omringen.
Meld dan mijn Zangeres, meld wat zijn arm bestond,
Toen zich die andre Mars voor ’t spits
des Vijands vond,
Beziel mij, zo ik ooit uw’ invloed heb genooten!
Hoort Eeuwen! hij ontbloot zijn nooit verwonnen staal,
Hij zwaait het om zijn hoofd tot zes of
zevenmaal,
En… ‘wel? wat deed hij toen?’ ’t is waarlijk mij
ontschooten.
Juliana Cornelia de Lannoy
(1738-1782)
maandag
23
november
Bittere spijt
In een vermaard
Paleis, de roem der stadgenoten,
Waar rijkdom, wijs bezorgd, haar schat verbergt voor ’t licht;
Waar Themis op haar stoel voor goud noch bede zwicht,
En dierb’re wetten geeft, die ’t heil de volks vergroten;
Waar d’ edele
Trouwgodin haar koordeur heeft ontsloten
Voor harten, diep gewond door ’t kleine minnewicht;
In ’t achtbaar praalgebouw, dat welvaart heeft gesticht,
Toen dwingelandij door deugd werd van ’t gezag verstoten;
Waar d’ ontrouw wordt
gestraft, de onnozelheid verschoond;
Waar ’t hoog en ruim gewelf een open hemel toont;
Waar bouw- en beitelkunst elks ogen kan bekoren;
Waar ’t marmer echo’s vormt, op ’t volks herhaald
gedruis;
In ’t achtste wonderstuk, in ’t Amsterdams Stadhuis
Heb ik (o bittere spijt) mijn zakdoek laatst verloren.
Lucas Pater (1707-1781)
woensdag
18
november
Huisuitzetting
Morgen om tien uur – zoo klonk het bevel –,
Gaan we je boel verkoopen.
Zes weken huurschuld – de man trekt van ’t steun -
Honger en droefheid drenzen hun dreun –!
De mensch durft niets meer – dan – hòpen –!
’s Morgens om tien uur – de straat zwàrt van volk –
Toonend hun solidair zijn –
Deurwaarder komt met z’n knechies en blaat:
‘Is dat rapaille tot zóó iets in staat?!
Werkelijk – kàn zooiets wáár zijn?!’
Vlak voor de deur staan kam’raads – kop aan kop:
Mènschen –, die niet verwikken.
De trappen, de ramen – kijk goed! – puilen uit –!
Dàn – snerpt een felle politiefluit –,
Hartstochtelijk laaiende blikken –!
De menschen zijn tot het uiterst bereid –,
Eén in hun strijd –, één van zinnen –!
Marcheerend in ren – komen knuppelaars aan –
Zien dan een strijdbereid leger staan,
En –, durven niets te beginnen –!
‘Rapaille’ – het stáát – geeft de daad – stil – bewust –,
Minachtend politieparade –!
d’ Agenten staan wat te grijnzen – ziet –
Maar de makkers – de kérels – ze deinzen niet –
Zóó moet het zijn – Kameraden!
Carel van Oeveren (1910-1942)
uit: Links richten (1932)
maandag
9
november
De Oude en de Nieuwe
Wereld
En toch, en
toch, – ons hart gaat naar haar uit.
Henriette
Roland Holst (1869-1952)
Henrtiette Roland Holst schreef dit gedicht naar aanleiding van
de Russische revolutie en Lenin. In 2020 zou het ook op de presidentswisseling
in de VS kunnen slaan.
vrijdag
6
november
De stervende Heyduk
‘Daal neder, o arend! Ter dood toe gewond,
Ligt Gabriël Zapol hier neêr op den grond.
’k Heb vaak met het vleesch en het stroomende bloed
Der woeste Pandoeren uw jongen gevoed.
Weldra strekt mijn hart, eens zoo groot, hun tot spijs.
Doch ’k smeek u vooraf om een vriendschapsbewijs.
Ga, breng deze tasch, van patronen ontbloot,
Aan Kolmar, mijn broeder – en wreek hy mijn dood.
Slechts twalef patronen, bevatte die tasch.
Hier liggen ook twalef Pandoeren in ’t gras.
De dertiende, Botzai, die schelm, zonder eer,
Sloop achter my om en hy schoot my ter neêr. –
Dees hoepring met hair, breng hem Klara, mijn bruid:
En treur ze om haar liefste met klaaglijk geluid.’
En de arend bracht Kolmar de ledige tasch,
En vond hem gezeten by kaart en by glas.
En de arend bracht Klara den hoepring met hair,
En vond haar met Botzai voor ’t huwlijksaltaar.
(Uit het Illyrisch.)
Jacob van Lennep (1802-1868)
uit: Gedichten, zoo oude als nieuwe (1851)