zaterdag 29 december 2018


zaterdag
29
december

De laatste dagen

en de laatste vragen 
van het geleden jaar 
staan voor de deur, 
de bomen kouder 
en de dromen ouder 
maar de verwachting 
nog vol gloed en kleur 
want wij geloven: 
het licht van boven 
is niet te doven 
stelt niet teleur 
voor alle vragen 
van alle dagen 
achter de einder 
achter de deur.
Anton van Wilderode (1918-1998)
uit: Op hoop van vrede (Altiora 1988)



dinsdag 18 december 2018


dinsdag
18
december

In Dokkum heerst nog altijd het verdriet
dat een ontspoorde geestelijk gestoorde
die arme Bonifatius vermoordde,
want een blokkeerfries was er toen nog niet.

Wim Meyles

maandag 17 december 2018


maandag
17
december

DE STER

Soms komt van onwaarneembaar ver
wat al bestond in zicht,
onthult de nacht een nieuwe ster
in duizend jaar oud licht.

Misschien ging ze al eeuwen zacht
vervagend weer teloor,
toch dringt ze pas in deze nacht
tot onze ogen door.

De ster is slechts een beeltenis
van wat voorgoed verdween,
een blik in de geschiedenis,
een afdruk van voorheen.

Wanneer de hartstocht op den duur
voor dof berusten zwicht
rest enkel van het oude vuur
de gloed die ons verlicht.


Mihai Eminescu (1850-1889)
Vert: Otto van Gelder


donderdag 13 december 2018


donderdag
12
december
XIV

Nu de grote dingen verdwijnen
worden de kleine dingen groot:
wat zonlicht op de gordijnen,
een appel, een snee vers brood.


Met hoeveel overbodigs
maken we ons leven stuk:
er is zo weinig nodig
voor wat eenvoudig geluk.

Zó zou ik oud willen wezen,
klein bij de grote dood:
Homerus om in te lezen,
een appel, een snee vers brood.


Garmt Stuiveling (1907–1985)
uit: Eeuwig gaat voor ogenblik (1965)



woensdag 12 december 2018


Woensdag
12
december

De schim van mijn hond

Ik lag en wachtte, stil lijk in mijn graf,
En bad den slaap zijn koelen zegen af.

Ik lag te peinzen aan mijn trouwen hond,
Die sliep nu eenzaam in den kouden grond.

Plots hoorde ik zacht de tuindeur opengaan -
Ik lag verlamd, van beven bang bevaên.

O stil maar! 't is een welbekende stap
Van donzen pootjes tripplende óp de trap.

En weer een deur, die heimlijk opensluit -
O 't is mijn hond, die sloop zijn grafkuil uit.

O zeker dreef de koû van 't graf mijn hond
Naar 't veilig plekje, waar zijn mandje stond.

O zeker dreef de dorst van 't graf mijn hond
Naar de eigen kamer, waar hij water vond.

- ‘O zoete ziel! o zieltje! ben je daar?
Je mandje is weg, geen water staat er klaar.

Ik wist het niet dat je zou komen weer,
'k Had wel gezorgd dat je al vondt als weleer.

Ik kán niet opstaan, 'k lig verlamd van schrik,
Maar 'k wil je helpen, wacht - éen oogenblik.

Ik wil verwinnen 't niet waarin ik zonk!’ -
Doch duidlijk hoorde ik dat mijn hondje dronk.

Hij dronk - en zuchtte - en sloop de trap weer af -
En ging heel zoet weer slapen in zijn graf.


Hélène Swarth (1859-1941)
uit: 
Bleeke luchten (1909)

zondag 9 december 2018


Zondag
9
december

Voor mijn hond

Ik kan u niet de onsterflijkheid beloven,
O zachte ziel van mijn gestorven hond!
Niet plante’ een kruis, het teeken van den bond
Tussche’ aarde en hemel, triomfantlijk boven
Uw arme groeve in ongewijden grond.
Het eeuwig heil waar stervende’ aan gelooven
Is niet voor u – uw teeder leven dooven
Kwam dood, geen engel, die een God u zond.
Waarom, mijn hond, moest gij van lijden beven,
Zonder de hoop, die stervenswee vergoedt?
Doch in mijn liefde zal uw liefde leven,
O kleine schim! zoolang ik leven moet.
En blauwe bloemen zal mijn trouw u geven
En stille tranen, heimlijk droeve en zoet.



Hélène Swarth (1859-1941)
uit: Bleeke luchten (1909)



maandag 26 november 2018


maandag
26
november

Voorzang

Het najaar waait de duisterende landen

regenend over, en oneindig groot
zijn de verlatenheden van den dood.
Bleek schuimt de zee over de lage stranden.


En aan het raam, denkend aan al wat vlood,
hoor ik de klacht dier eeuwen om mijn wanden.
De laatste daad viel uit mijn moede handen:
ik zie hen bleek en roerloos in mijn schoot.


Laten wij niet meer hopen, laten wij
nimmermeer smeken, en o, niet meer smaden –
Dit is het eind, het duisterend getij

van lage wolken en de storm der bladen.
Uit onze handen zijn de laatste daden
gevallen, en de regen waait voorbij.



A. Roland Holst (1888-1976)