vrijdag 11 oktober 2019


vrijdag
11
oktober

De hardnekkige onkunde
Gij groote, wijze mannen,

Die, in uw schoone schriften,
De comma’s en de punctum’s,
De stippen en de streepen,
Zoo kunstig, weet te plaatsen;
o Groote, wijze mannen!
Al ben ik juist geen schrijver,
Toch weet ik, in een reden,
De comma’s en de punctum’s
De stippen en de streepen,
Zoo nu en dan, te plaatsen:
Wanneer ik, groote mannen,
In de armen van mijn meisje,
Op haren boezem, ruste,
Dan praat mijn lagchend meisje,
En zegt mij honderd dingen;
Mijn meisje kent geen comma’s,
Geen punctum’s, of geen stippen;
Maar ik zet, onder ’t praaten,
De comma’s en de stippen
Geduurig op heur wangen;
Dit doe ik met mijn lippen!
Maar, ’t plaatsen van een punctum
Schijn ik niet wel te weten;
Want, dikwijls is mijn meisje,
In ’t midden van een reden,
Dan druk ik reeds mijn lippen,
Op heur, nog sprekend, mondje –
En dit – dit is een punctum!
o Groote, wijze mannen!
Al is ‘t, dat ik de punctum’s
Wat al te schielijk plaatse –
Maakt mij toch nimmer wijzer.

Jacobus Bellamy (1757-1786)



donderdag 10 oktober 2019


donderdag
10
oktober

Vogelvrij

Kinderen van een prachtig ras
– ik kwam hun noordelijk dorp voorbij – 
scholden en achtervolgden mij
en één smeet raak met een pol gras.
En toen ik hen ontkomen was
zat ik tussen een wilgenrij,
een oude vrouw in de maand mei
en sloeg de kluiten van mijn jas.
Kinderen zijn oprecht en wreed:
zij zagen mij de dichter aan
en deden frank, wat meer discreet
de wereld dagelijks heeft gedaan.
Ida Gerhardt (1905-1997)



dinsdag 8 oktober 2019


dinsdag
8
oktober


“Δεν ελπίζω τίποτα.
Δε φοβούμαι τίποτα.
Είμαι λέφθερος.”

 'Ik hoop niks, ik vrees niks, ik ben vrij'
Nikos Kazantzakis (1883-1957)




vrijdag 4 oktober 2019


vrijdag
4
oktober


De wolken

En wer de wolken, de wolken,
Hieltyd wer de wolken, de wolken,
Wolken, altyd wer de wolken,

En dan, it wetter, wetter, wetter,
Hieltyd wer it wetter, wetter,
It wetter, altyd wer it wetter,

En sûnt, floeden floeden letter,
Minske, winske wetter nei de see,
Winske wjokken, mûneminske,

Wyn ûnder de wolken, de wolken,
Hieltyd wer de wetterwolken,
De wolken, altyd wer de wolken.


De wolken

En weer de wolken, de wolken,
Steeds maar weer de wolken, de wolken,
Wolken, altijd weer de wolken,

En dan, het water, water, water,
Steeds maar weer het water, water,
Het water, altijd weer het water,

En sindsdien, vloeden vloeden later,
Mensen, wensten water naar de zee,
Wensten wieken, molenmensen,

Wind onder de wolken, de wolken,
Steeds maar weer de waterwolken,
De wolken, altijd weer de wolken.


Tsjêbbe Hettinga (1949-2013)




dinsdag 1 oktober 2019


dinsdag
1
oktober

Herfstrood

In rouwzwart groen een vroolijk vlekje rood:
Een blozend dak, een gladiolusvlam,
Een rozige appel of een hanekam,
Zal dat mij troosten over zomerdood?

O tragisch traag laat vallen van den stam
Scharlaken bladen in de bruine sloot
De wilde wingerd, of in gulpen vloot
Zijn bloed, gelaten najaars-offerlam.


Een huivrende angst bevangt me en jaagt mij voort,
Grijpt bij de keel me en steelt mijn levensmoed.


In ’t westen praalt een karmozijnen poort,
Waarachter ‘k misdrijf, vreemd en wreed, vermoed.


De booze October heeft de Zon vermoord….
Zijn zwaard is rood, zijn mantel druipt van bloed.



Hélène Swarth (1859-1941)



donderdag 26 september 2019


donderdag
26
september

September

Blond lief, de laatste gouden dagen
wuiven ten afscheid en wij achten 't niet,
de bomen en de struiken dragen
hun laatste tooi en in het riet
schuilen de vissen en hun trage
vinslag verraadt hen niet.

Het wordt nu tijd ons te bezinnen;
de bossen kleuren dieper bruin
en lila herfstasters beginnen
hun ijle bloeien in mijn tuin.

Het wordt nu tijd om te bedenken:
de zomer houdt niet eeuwig stand;
zij schonk ons al wat zij kon schenken -
de laatste gouden dagen wenken
en herfst komt reeds in feller kleuren drenken
de bloemen van dit dierbaar land.


Koos Schuur (1915-1995)



woensdag 25 september 2019


woensdag
25
september

Zomer. Het fruit is rijp

Ik kan met moes en fruit mij en mijn vriend gerijven;
ik eet, ik geve weg, nog kan er overblijven.
De mus, de spreeuw, de kauw en eksters eten mee;
maar tegen zulk gespuis houd ik de snaphaan reê.
Daar past mijn pulver op en schot van hagelkogels,
behalve op een slag van schadelijker vogels,
van bestemoeders aard in zulk van snoeperij;
die grijp ik levendig, en laat ze weder vrij,
doch voor een klein rantsoen. En, meisjes, wilt gij weten
waarvoor gij in mijn hof moogt alle fruiten eten,
vraagt aan de echo hier: ‘Wat geeft men voor rantsoen?’
Met maar vier lettertjes zal zij u antwoord doen.

Jacob Westerbaen (1599-1670)