vrijdag 25 september 2020

 

vrijdag

25

september

 

Eikel

De herfstblues hebben mij weer flink te pakken
De bomen laten blad en vruchten los
Ik zigzag tussen afgevallen takken
Al peinzend fiets ik door een kalend bos

Een jochie op een felgekleurde scooter
Ontwijkt nog net mijn diep gedachtenspoor
Hij groet met middelvinger en getoeter
En raast in uitlaatgas en stofwolk door

De eikels spatten weg onder zijn banden
Ze stuiteren nog wat, dan wordt het stil
Ik zie de resten op het pad belanden
Wat gele halfjes in een bruine schil

Ik vraag me af, terwijl ik ernaar kijk
Hoe wordt zo'n eikel ooit een grote eik?

 

Christiaan Abbing 





donderdag 24 september 2020

 

donderdag

24

september

 

Tuin

 

Je hebt een tuin. Daar loop je ’s avonds in

En kijkt eens naar de halfverdorde planten

Je ziet een uitgedroogde struik chrysanten

De afrikaantjes vormen dissonanten

Als ongewensten in een pleeggezin

 

Je hebt een tuin. Daar loop je 's avonds in

De rozen zijn verworden tot mutanten

Geconfisqueerd door eerloze trawanten;

Het nageslacht van de familie Spin

 

Je hebt een tuin. Daar loop je 's avonds in

Slechts onkruid tiert, de vuige infiltranten

Ze reiken in de hoogte tot je kin

 

Maar goed, het is er rustig niettemin

Je hebt een tuin. Daar loop je 's avonds in

 

 

Een z.g. krimpsonnet met als terugkerende regel de eerste regel uit

‘Harmonie’ van Gerrit Komrij.

 

Bas Boekelo



dinsdag 22 september 2020

 

dinsdag

22

september

 

Klad

Mijn lief vroeg voor de puzzel uit de krant
Een potlood liefst met punt en ook geslepen
Omdat het met een balpen in je hand
Een kliederboel wordt als je steeds moet strepen

Je kunt zo heel behoedzaam, haast discreet
Een cryptische omschrijving attaqueren
Want als je later plots iets beters weet
Kun je zo’n fout weer netjes corrigeren

Toen ik hem had gevonden dacht ik even
Dat lijkt me nou ook handig in het leven

 

Niek Kalberg

woensdag 16 september 2020

 

woensdag

16

september

 

Prachtige uitvinding!

Hier ligt mijn grootmoeder

Weg is de tijd dat ze

Zanikt en zeikt

 

Fijn dat ze nu in haar

Levendeschimmelkist

Toch nog postuum

Haar omgeving verrijkt

 

Theo Danes





woensdag 9 september 2020

 

woensdag

9

september

 

Oud liedje

Uit lieven groeit groot lijden
een lijden zonder end,
maar voor den ingewijde,
hij die de liefde kent,
wordt wonder elke smerte
en zalig elke pijn
zoolang het eene herte
aan ’t andre maar mag zijn.


Verlaten, verlaten,
verlaten, o kind,
moet ieder op aarde
wat meest hij bemint…
Wat meest hij bemint
en wat adem hem zij.
Verlaten, verlaten…
o God, sta ons bij…

Agatha Seger (1902-1993)

maandag 7 september 2020

 

dinsdag

8

september


Heb mij lief, gelijk ik ben

Ik zou tot al mijn vrienden willen gaan
– Ook wel tot hen, die niet mijn vrienden zijn –
En vragen: Heb mij lief, gelijk ik ben
En stel aan mij geen eischen. Zie, ik kan
Niet onderhoudend praten, niet gevat
Of geestig zijn, en niet vertrouwelijk
Vertellen van mij zelf of van mijn ziel....
Wat zouden we ons vermoeien voor elkaar?

Laat mij maar zwijgend naast u zitten, stil
Verdiept in eigen werk, eigen gedachten.
Of – als gij praten wilt – spreek gij tot mij.
Ik zal wel luistren, als gij vriendelijk
Met lichten kout mij onderhouden wilt,
Wel lachen om de grappen, die ge zegt,
Wel ernstig kijken, als ge hoog, of diep,
Of ijdel praat van al te diepe dingen....

Maar, als ik dan zoo zwijgend zit, en luister
Naar uw gesprek – of naar het klokgetik –
Of 'k laat de stilte ruischen om ons heen,
– Die ruischt zoo prettig, als de menschen zwijgen –
Als 'k mij dan blij in uw nabijheid voel,
Dan zou ik willen vragen, en de stilte
– Of ons gesprek – verbreken met mijn vraag:
‘Zeg, zijt ge ook blij, dat ik hier naast u zit?’
Spraakt gij dan ‘ja’, dan zei ik zacht: ‘Ik ook’...

En dat was alles, wat ik weten wou
En al, wat gij van mij behoeft te weten.




Jacqueline van der Waals (1868-1922)
uit: N
ieuwe Verzen (1909)



 

maandag

7

september


Macte Animo

Ik moet er niet van weten, van die zuidsche vrouwenzielen,
die, voelend het noodlottig leed hun longeren vernielen,
te midden het ontbladeren van de boomen kneuteren gaan
dat ’t jammer is van hen en van hun lief en van de blaân.

Zijt gij het die ik rochelen voel hier rond mijn hert, vernieling?
Zijt gij het, God verplette u, worm die mijner jeugd bezieling
verknagen moet! Het lijf wierp u mijn eigen roekloosheid,
doch, zier om zier, bestrijde ik u den geest, Noodlottigheid?

Gij die vandaag den hemel kuischt van vuiler dampen rotheid,
O licht, o warmte, o levenslust, bedanke u, vurige godheid!
– Mijn zonnig land... mijn verten... mijn jong leven... Kameraad,
nicht raisonniren... weer u scherp, en eind als een soldaat!


Albrecht Rodenbach (1856-1880