vrijdag
25
september
Eikel
Christiaan Abbing
vrijdag
25
september
Eikel
Christiaan Abbing
donderdag
24
september
Tuin
Je hebt een tuin. Daar loop je ’s avonds in
En kijkt eens naar de halfverdorde planten
Je ziet een uitgedroogde struik chrysanten
De afrikaantjes vormen dissonanten
Als ongewensten in een pleeggezin
Je hebt een tuin. Daar loop je 's avonds in
De rozen zijn verworden tot mutanten
Geconfisqueerd door eerloze trawanten;
Het nageslacht van de familie Spin
Je hebt een tuin. Daar loop je 's avonds in
Slechts onkruid tiert, de vuige infiltranten
Ze reiken in de hoogte tot je kin
Maar goed, het is er rustig niettemin
Je hebt een tuin. Daar loop je 's avonds in
Een z.g. krimpsonnet met als terugkerende regel de
eerste regel uit
‘Harmonie’ van Gerrit
Komrij.
Bas Boekelo
dinsdag
22
september
Klad
Mijn lief vroeg voor de puzzel uit de krant
Een potlood liefst met punt en ook geslepen
Omdat het met een balpen in je hand
Een kliederboel wordt als je steeds moet strepen
Je kunt zo heel behoedzaam, haast discreet
Een cryptische omschrijving attaqueren
Want als je later plots iets beters weet
Kun je zo’n fout weer netjes corrigeren
Toen ik hem had gevonden dacht ik even
Dat lijkt me nou ook handig in het leven
Niek Kalberg
woensdag
9
september
Oud liedje
Agatha Seger
(1902-1993)
dinsdag
8
september
Heb mij lief, gelijk ik ben
Ik zou tot al mijn vrienden willen gaan
– Ook wel tot hen, die niet mijn vrienden zijn –
En vragen: Heb mij lief, gelijk ik ben
En stel aan mij geen eischen. Zie, ik kan
Niet onderhoudend praten, niet gevat
Of geestig zijn, en niet vertrouwelijk
Vertellen van mij zelf of van mijn ziel....
Wat zouden we ons vermoeien voor elkaar?
Laat mij maar zwijgend naast u zitten, stil
Verdiept in eigen werk, eigen gedachten.
Of – als gij praten wilt – spreek gij tot mij.
Ik zal wel luistren, als gij vriendelijk
Met lichten kout mij onderhouden wilt,
Wel lachen om de grappen, die ge zegt,
Wel ernstig kijken, als ge hoog, of diep,
Of ijdel praat van al te diepe dingen....
Maar, als ik dan zoo zwijgend zit, en luister
Naar uw gesprek – of naar het klokgetik –
Of 'k laat de stilte ruischen om ons heen,
– Die ruischt zoo prettig, als de menschen zwijgen –
Als 'k mij dan blij in uw nabijheid voel,
Dan zou ik willen vragen, en de stilte
– Of ons gesprek – verbreken met mijn vraag:
‘Zeg, zijt ge ook blij, dat ik hier naast u zit?’
Spraakt gij dan ‘ja’, dan zei ik zacht: ‘Ik ook’...
En dat was alles, wat ik weten wou
En al, wat gij van mij behoeft te weten.
Jacqueline van der Waals (1868-1922)
uit: Nieuwe Verzen (1909)
maandag
7
september
Macte Animo
Ik moet er niet van weten, van die zuidsche vrouwenzielen,
die, voelend het noodlottig leed hun longeren vernielen,
te midden het ontbladeren van de boomen kneuteren gaan
dat ’t jammer is van hen en van hun lief en van de blaân.
Zijt gij het die ik rochelen voel hier rond mijn hert,
vernieling?
Zijt gij het, God verplette u, worm die mijner jeugd bezieling
verknagen moet! Het lijf wierp u mijn eigen roekloosheid,
doch, zier om zier, bestrijde ik u den geest, Noodlottigheid?
Gij die vandaag den hemel kuischt van vuiler dampen rotheid,
O licht, o warmte, o levenslust, bedanke u, vurige godheid!
– Mijn zonnig land... mijn verten... mijn jong leven...
Kameraad,
nicht
raisonniren... weer u scherp, en eind als een soldaat!
Albrecht Rodenbach (1856-1880