zaterdag 20 maart 2021

 

zaterdag

20

maart

 

John Barleycorn

 

There was three kings unto the east,
Three kings both great and high,
And they hae sworn a solemn oath
John Barleycorn should die.

They took a plough and plough'd him down,
Put clods upon his head,
And they hae sworn a solemn oath
John Barleycorn was dead.

But the cheerful Spring came kindly on,
And show'rs began to fall;
John Barleycorn got up again,
And sore surpris'd them all.

The sultry suns of Summer came,
And he grew thick and strong;
His head weel arm'd wi' pointed spears,
That no one should him wrong.

The sober Autumn enter'd mild,
When he grew wan and pale;
His bending joints and drooping head
Show'd he bagan to fail.

His colour sicken'd more and more,
He faded into age;
And then his enemies began
To show their deadly rage.

They've taen a weapon, long and sharp,
And cut him by the knee;
Then tied him fast upon a cart,
Like a rogue for forgerie.

They laid him down upon his back,
And cudgell'd him full sore;
They hung him up before the storm,
And turn'd him o'er and o'er.

They filled up a darksome pit
With water to the brim;
They heaved in John Barleycorn,
There let him sink or swim.

They laid him out upon the floor,
To work him further woe;
And still, as signs of life appear'd,
They toss'd him to and fro.

They wasted, o'er a scorching flame,
The marrow of his bones;
But a miller us'd him worst of all,
For he crush'd him between two stones.

And they hae taen his very heart's blood,
And drank it round and round;
And still the more and more they drank,
Their joy did more abound.

John Barleycorn was a hero bold,
Of noble enterprise;
For if you do but taste his blood,
'Twill make your courage rise.

'Twill make a man forget his woe;
'Twill heighten all his joy;
'Twill make the widow's heart to sing,
Tho' the tear were in her eye.

Then let us toast John Barleycorn,
Each man a glass in hand;
And may his great posterity
Ne'er fail in old Scotland!

Robert Burns (1759-1796)



woensdag 17 maart 2021

 

woensdag

17

maart

 

Een Gaaf Land

De bloemen verdwenen uit de velden
de bijen vertrokken en de wormen
En toen hadden ook de vogels
er geen zin meer in

Overal waar ik kwam zag ik
hoe de natuur werd uitgehold
Het werd stoffiger en warmer
Ja ronduit benauwd werd het

Alles van waarde wankelt maar
onze premier ziet geen urgentie
We zijn een gaaf land en wie meer
visie wil moet naar de oogarts

Door mijn nieuwe bril tuur ik naar
het beroofde land en probeer het uit
te leggen aan mijn kinderen aan
mijzelf en aan de bomen

Er wordt veel geld verdiend met het
verwoesten van de aarde en elke stem
elke koop elke reis elke hap elke slok
is een keuze voor of tegen onze enige planeet



Sako Kiers

zaterdag 6 maart 2021

 

zaterdag

3

maart

 

 

Als ’k dood ben

Als ’k dood ben zijn mijn kleren rare dingen:
de overhemden sierlijk in hun doos,
de pakken, hangend waar ze altijd hingen,
steeds wijzend naar omlaag, besluiteloos.

Ik was ze, ik alleen droeg hen altoos.
En, omdat ze mij zo vaak vervingen,
of omdat ik hen uit hun winkel koos;
zij weten iets van mijn herinneringen.

Gij vrienden, enigszins van mijn formaat,
ik roep U, als de dood te wachten staat,
(maak ik het sterven bij bewustzijn mee).

’k Geef U of leen, ’t zou niet de eerste keer zijn,
mijn pakken, vormt met hen die mij niet meer zijn
dan langs mijn kist een onzwart défilé.

 

Louis Lehmann (1920-2012)
uit: Een steen voor Hermes (1962)




vrijdag 19 februari 2021

 

vrijdag

19

februari

 

Déjà Vu

aan de rand van oerwoudbergen
bij een stam in het noorden van Cambodja
waar men een uitgestorven taal spreekt
en onderhandelt met geesten
kwam ik mijn jeugd weer tegen

er was een bruiloft bezig, al enkele dagen
koelboxen waaruit blikken kwamen
vaders met luide adviezen
die wild in hun tuinstoelen draaiden
het nageslacht al voor de rituelen ontsnapt
met blikjes en munten
verwikkeld in toernooien
even dansend rond de tafels als er eten was

de volgende ochtend werd ik wakker in een hangmat
onder een huis op palen
de vazen rijstwijn kloppend tussen de slapen
cicaden die de zon aanhaalden
en ik zag de vrouwen boven houtvuren hangen
roerend in reusachtige pannen
precies zoals de avond begonnen was



Anne Broeksma (1987)
uit: Vesper (2021)




maandag 15 februari 2021

 

maandag

15

februari

 

 

Dikke Dinges R.I.P.

Dikke Dinges was verscheiden,
in zijn Heer en litjemaux,
de professor kwam en zeide:
`Hum, Hum, Hum, …’ en liet het zoo.
Doodkist werd besteld, gemeten,
afgebiest met plint en lat.
die, met zillever besmeten,
krap, fataal en poenig zat.

Zeven bidders wiegewankten
in d’r grafgezanten vlijt
met de kostbaar ingeplankte
vieze dikke dooiigheid.
Van de traphal naar den wagen,
van den wagen naar het graf …
trapten in plechtstatig dragen
voormans hak en hielen af.

Heel de Dingespermetasie
vormde om den kuil een O,
dominee hield predekasie
over Christenheil en zoo,
over dood en over leven,
zoo kortstondig als het gras;
treurend snoten al de neven,
om den duur van het gewas.

Hier ligt in z’n Heer ontslapen
(oogen toe en zonder weet)
de geliefde, zeer rechtschapen
makelaar in kinderleed.
Spekulant in graan en krotten,
zwaar geschut en menschenwee.
God z’n ziel! … Het graf z’n botten!
Dikke Dinges R.I.P.

Willem van Iependaal (1891-1970)



donderdag 11 februari 2021

 

donderdag

11

februari

 

 

Die donker

 

In die donker gang is ’n lig wat skyn

Maar die vlam is delikaat en fyn

En ek het verlang na die lentetyd

Op my oom se plaas sonder elektrisiteit

 

My tannie sê: “My kind, my kind,

Die liefde en die motte is blind.”

Die vlam is delikaat en fyn

En dit kan soos ’n dief in die donker nag verwijn

 

Diep in die donker gang het ek na iets verlang

Ek het die wind hoor sing, lente sal liefde bring

Ek het die dag hoor kwyn,

Dis net die son wat nou verdwyn

En soos die aarde draai,

Sal ’n haan weer kraai

 

Laat een aand word die nag soos dag

Soos die storm bars met al sy krag

En ik het in die gang weggekruip

Want ek was so bang vir die elektrisiteit

 

Diep in die donker gang het ek na iets verlang

Ek het die wind hoor sing, lente sal liefde bring

Ek het die dag hoor kwyn,

Dis net die son wat nou verdwyn

En soos die aarde draai,

Sal ’n haan weer kraai

 

As die donker my kom haal

En die Here my nie soek nie

As die osonlaag vergaan

En in ’n kandelaar van sterre val

Begrawe my hart op Klein Tambootieboom

En strooi my as oor die Bosveld horison

 

Stellenbosch University Choir




woensdag 10 februari 2021

Woensdag

10

februari

De tijd maakt vaal, onooglijk en krom

en breekt er alle kracht en brengt ze om;

ik riep: is er iets triester dan de dood?

het klonk: de ouderdom, de ouderdom.

 

J.H.Leopold (1865-1925)