woensdag 1 maart 2023

 

woensdag

1

Maart

 

Aan Klitia

’t Geele keursje dringt wellustig
’t Zwoegend borstalbast omhoog,
En verrukt de tedere oogen,
Maar weêrhoud het vurig oog.
’k Wensch dat keursje vaak ontregen:
’k Wensch het, lieve Klitia!
Van uw middel los te scheuren,
Hoe bekoorlyk ’t u ook sta!
Waarom poogt gy toch den boezem,
Dien ’t genot ten offer wacht,
Hoogstwreedaartig op te tooijen
Met een diep gevloekte pracht?
Zoud gy 's zomers hem bedekken
Voor den fellen brand der zon,
Die het rozenrood verbleeken,
’t Lelywit verzengen kon?
Zoud gy ’s winters hem verbergen
Voor het snerpen van de koû,
Die het zyden vel verrimplen,
’t Sneeuwwit wasch versteenen zou?
Billyk, dat uw zorg hun woede
Zo veel schoons onttrokken heeft,
Maar zoud ge aan de min ’t onthouden,
Die ’t een’ nieuwen luister geeft?
Dek het voor den strengen jaarkeer,
Die licht roekloos eens het schond,
Maar ontbloot den open boezem
Voor de blikken van myne oogen
en de kusschen van myn’ mond.




Hendrik Tollens (1780-1856)
uit: Proeve van minnezangen en idyllen (1805)



zaterdag 25 februari 2023

 

zaterdag

25

Februari

 

O mensch, wil merken: de tijd heeft vlerken

Ziehier, geliefde jeugd, de trap van ‘s menschen leven:
De kindscheid huppelt voort langs paden van geneugt,
De jongelingschap komt aan, en wil naar vreugde streven,
Echter, onervaren, wijkt zij vaak van ’t pad der deugd.

Nu daagt de manbaarheid; ziedaar de denkkrachtjaren;
De mensch stapt langzaam voort; ‘t verstand verslapt, verdwijnt,
thans is ’t der grijsheids beurt met haar zilvren haren;
Het brein neemt langzaam af, als het leven ook verkwijnt.

O knaapjes wilt gij eens (doe ’t jarenwigt u bukken),
Op uw vervlogen jeugd nog lagchend nederzien,
Wilt dan, in vreugd en wee, de baan der deugd steeds drukken,
Zij is het, die op aard’ reeds hemelvreugd kan bieden.







Memento mori

Wat is van onze jeugd en van het ganse leven?
Het is, gelijk een stroom, in haasten weggedreven.
Het is gelijk een boom, die neder is geveld,
Het is gelijk een droom, die kranke zinnen kwelt.

Het enig, dat de ziel in dit geval verblijdt,
Dat is een zoet gepeins van welbestede tijd.

Er blijft niets aan den mensch, dan droeve nagedachten
Het eenig’ dat de ziel in dit geval verblijdt
is een herinnering aan welbesteden tijd.

Al wat het wakker oog, beschouwt aan alle zijden,
Dat wijst de mensch aan, wat eenmaal staat te lijden.
God laat ons elken dag, als in het kleine zien,
Wat eens ter zijner tyd de wereld zal geschien!

Vol onschuld en vermaak, o knaapje! is uw leven,
het bloempje lacht u aan en bloeit voor uwe schreën:
Smaak vrolijk dat genot, weldra zal ’t u begeven,
Uw lagchend tijdperk vliegt als morgendamp daar heen.

Streef, rappe jongeling! de loopbaan vrolijk tegen,
Waar nutte werkzaamheid, eer en geluk u wacht;
Zet nimmer uwen voet op doodelijke wegen,
Maar wijdt aan ’t goede en schoon steeds al uw levenskracht.

Zoo stapt de man vol moeds de baan der eere biinnen,
Werkt voor de maatschappij, voor gade en teeder kroost;
Zijn vreugd ligt in het heil der dierbren, die hem minnen,
Wier liefde onder ’t leed der aarde hem vertroost.

De grijsaard nadert aan het graf der voorgeslachten,
Ras is zijn vreugd voorbij, en al zijn leed geleën;
Het reeds geopend graf schijnt minzaam hem te wachten,
Daar komt de dood en wekt – reeds is de sterfling heen.

vrijdag 24 februari 2023

 

vrijdag

24

Februari

Inzicht

Het gras is groen, de rozen kaal
mijn uitzicht is maar minimaal
en ook mijn uitzicht in het leven
is met de grond gelijk gebleven

Eens stond ik op de Belvédère
het geluk schitterde van verre
maar daarna kreeg ik ongeluk
mijn huwelijk liep volkomen stuk

Nu wandel ik in Judy’s tuinen
het oude leed wat op te ruimen
het gras is groen, de rozen kaal
mijn uitzicht is maar minimaal

 

Kees Winkler (1927-2004)



zondag 5 februari 2023

 

maandag

6

Februari

Uitsig op die kade

Nouliks vertolkbaar wat hulle my vertel,
spreeus, eksters, meeue, eende, kraaie, al
die ywerige dagloners van die wal,
die reier so afgetrokke opgestel.

Ek mis myself steeds minder. Ek bedoel:
as steeds meer buitedinge my gaan boei
dan sintels van inwendige gevoel
tintel dit of ek selfafstotend groei.

Vermindering neem waarneembaar toe. Ek hoop
om te voldoen aan omgekeerde bloei
en leeg genoeg te loop om vol te loop
met wat vanuit hierbuite binnevloei.



Elisabeth Eybers (1915-2007)
uit: Teeëspraak (1993)



 

Zondag

5

Februari

Anamnesis

Teruggekomen eer hij werd verwacht,
over de bergen, uit het zuiderland
van akkerstroken en rimpelende Nijl:
de vogel met de rode poten, tureluur.
Ginds heeft, wanneer het oeverriet ontsteeg
het wielend roepen, in zijn ronde boot
van wilgenribben en huid de Nijlvisser
het kenterend getij gespeurd en weet gehad
en niet gehad, van kleuren van een land
dat hij nooit zag: een groene uiterwaard,
de planten op een blauw bazalten krib,
de regenwolken waar het licht door breekt.



Ida Gerhardt (1905-1997)
Uit: Verzamelde Gedichten 



zaterdag 21 januari 2023

 

Zaterdag

21

januari

 

 

Ben Ali Libi

Op een lijst van artiesten, in de oorlog vermoord,
staat een naam waarvan ik nog nooit had gehoord,
dus keek ik er met verwondering naar:
Ben Ali Libi. Goochelaar.

Met een lach en een smoes en een goocheldoos
en een alibi dat-ie zorgvuldig koos,
scharrelde hij de kost bij elkaar:
Ben Ali Libi, de goochelaar.

Toen vonden de vrienden van de Weduwe Rost
dat Nederland nodig moest worden verlost
van het wereldwijd joods-bolsjewistisch gevaar.
Ze bedoelden natuurlijk die goochelaar.

Wie zo dikwijls een duif of een bloem had verstopt,
kon zichzelf niet verstoppen, toen er hard werd geklopt.
Er stond al een overvalwagen klaar
voor Ben Ali Libi, de goochelaar.

In 't concentratiekamp heeft hij misschien
zijn aardigste trucs nog wel eens laten zien
met een lach en een smoes, een misleidend gebaar,
Ben Ali Libi, de goochelaar.

En altijd als ik een schreeuwer zie
met een alternatief voor de democratie,
denk ik: jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar
voor Ben Ali Libi, de goochelaar.

Voor Ben Ali Libi, de kleine schlemiel,
hij ruste in vrede, God hebbe zijn ziel.



Willem Wilmink (1936-2003)




vrijdag 20 januari 2023

 

vrijdag

20

januari

 

 

‘DIE LICHTE MELANCHOLIE’

God woont in de Fokke Simonszstraat

 

 

Ik hoorde van een zeereerwaarde

en hoogbejaarde dominee:

de Here wou met onze aarde

niet één dag langer meer in zee.

 

Al zouden wij Hem overstelpen

met eredienst en dankgebed,

het zou geen ene moer meer helpen:

er werd een punt achter gezet.

 

Maar zie: daar was diezelfde morgen

zo’n rotjoch in de grote stad

een doodziek duiffie aan ’t verzorgen

dat-ie op straat gevonden had.

 

“Kristus, wat mot je dan? Wat wil je?

Ja, kijk me maar es effe an.

Godsallejeisis, beest, wat tril je,

Leg nou toch effe rustig, man.”

 

Toen heeft de Heer Zijn toorn bedwongen,

want Hij kreeg schik in het geval.

Hij spaarde dus de kleine jongen,

de zieke duif en het heelal.

 

Willem Wilmink (1936-2003)