maandag
26
februari
De PVV is 10 jaar oud
En al z'n
kinderachtigheid
En z'n gejengel heeft
geleid
Tot ergernis en haat
en nijd
De PVV is 10 jaar oud
Mijn God, straks komt
de puberteit
Theo Danes
zaterdag
17
februari
De anderen
Ik heb u geen rozen gebracht
en geen kleinooden,
zooals de andren —
Ik heb u met geen pronk getooid
en met geen zijde,
zooals de andren —
Ik heb u met geen scherts verzaâd,
noch minnekout,
zooals de andren —
Doch iets werd u met vreugd geschonken:
dat is mijn hart —
En zie, dat gaven zij u niet,
de andren.
Albe (1902-1973)
(Renaat Antoon Joostens)
maandag
5
februari
Lied van God
Nu ik terugkijk op mijn leven
Met nog een eeuwigheid te gaan
En ik zie wat voor ellende
Zich heeft voltrokken in mijn naam
Verlang ik terug naar het begin
Toen ik door niemand werd herkend
Want er wordt veel van mij gemaakt
Wat ik helemaal niet ben
Nee ik heb niemand uitverkoren
Wat er ook geschreven staat
Het is allemaal verzonnen
Door wie zijn voordeel er mee haalt
En ik heb niets tegen de joden
Het is een volk met veel talent
Maar ook zij maken iets van mij
Waar ik mezelf niet in herken
Als ik alles moet geloven
Wat er van mij wordt gezegd
Ben ik heiliger dan heilig
En slechter dan slecht
Ik ben een speelbal
In de verbeelding van de mens
Ze maken iets van mij
Wat ik meestal niet ben
Ik ben de liefde wordt gezegd
Gewapend tot de tanden
De pispaal voor de een
De richtlijn voor de ander
Ik voel me eenzaam en onzichtbaar
Al ben ik ook bekend
Er is teveel van mij gemaakt
Wat ik helemaal niet ben
Ik zal u zeggen wie ik ben
Ik ben de wolken en de wind
Het vuur dat eeuwig brand
Ik ben de stroming
De zee
Ik ben het grenzeloze land
Onvoorspelbaar
Ik ben niet wat je denkt
Er is teveel van mij gemaakt
Wat ik helemaal niet ben
Ik ben de opium voor het volk
Door filosofen doodverklaard
En ik heb een plaatsvervanger
Waar ik nooit om heb gevraagd
Ik ben de oorzaak van de oorlog
De schrijver van een boek
Ik ben het heilige excuus
Voor wie naar moeilijkheden zoekt
Ik heb meer gevoel voor humor
Dan de meeste mensen denken
En zij die zeggen mij te volgen
Nemen alles veel te ernstig
Zelfs dit lied zal vrijwel zeker
Als blasfemie worden bestempeld
En al zing ik het ook zelf
Dan wordt het nog ontkend
Alsof ik niet weet wie ik zelf ben
Ik zal u zeggen wie ik ben
Ik ben de wolken en de wind
Het vuur dat eeuwig brand
Ik ben de stroming
De zee
Ik ben het grenzeloze land
Onvoorspelbaar
Ik ben niet wat je denkt
Er is teveel van mij gemaakt
Wat ik helemaal niet ben
Stef Bos
zaterdag
20
Januari
Gebed tot Wot
Wot is rood
Wot is wreed
Wot weet alles
Wat je wou
En wat je deed.
Wot is woep
Wot is wijn
Wot is alles
Wat er is
En ooit zal zijn.
Wot is wulp
Wot is domp
Wot is vogels
In de lucht
En in de plomp.
Wot is woed
Wot is wis
Wot raadt alles
Wat ik moet
En wat ik mis.
Wot is rot
Wot is tot
Wot is lachen
Om de lust
En om ons lot.
Erik Bindervoet (1962)
uit: over het werkelijkheidsgehalte van de
werkelijkheid (2023)
Zaterdag
13
Januari
De
zelfmoordenaar
In het diepst van het woud
– ’t Was al herfst en erg koud –
Liep een heer in zijn eentje te dwalen.
Och, zijn oog zag zo dof!
En zijn goed zat zo slof!
En hij tandknerste, als was hij aan ’t malen.
“Ha!” dus riep hij verwoed,
“’k Heb een adder gebroed,
Neen, erger, een draak aan mijn borst hier!”
En hij sloeg op zijn jas,
En hij trapte in een plas;
’t Spattend slik had zijn boordjes bemorst schier.
En meteen zocht zijn blik
Naar een eikentak, dik
Genoeg om zijn lichaam te torsen.
Daarna haalde hij een strop
Uit zijn zak, hing zich op,
En toen kon hij zich niet meer bemorsen.
Het werd stil in het woud
En wel tienmaal zo koud,
Want de wintertijd kwam. En intussen
Hing maar steeds aan zijn tak,
Op zijn dode gemak,
Die mijnheer, tot verbazing der mussen.
En de winter vlood heen,
Want de lente verscheen,
Om opnieuw voor de zomer te wijken.
Toen dan zwierf – ’t was erg warm –
Er een paar arm in arm
Door het woud. Maar wat stond dƔt te kijken!
Want, terwijl het, zo zacht
Kozend, voortliep en dacht:
Hier onder deez’ eik is ’t goed vrijen,
Kwam een laars van de man,
Die daar boven hing, van
Zijn reeds lang verteerd linkerbeen glijen.
“Al mijn leven! van waar
Komt die laars?” riep het paar,
En werktuigelijk keek het naar boven.
En daar zag het met schrik
Die mijnheer, eens zo dik
En nu tot een geraamte afgekloven.
Op zijn grijnzende kop
Stond zijn hoed nog rechtop,
Maar de rand was er af. Al zijn linnen
Was gerafeld en grauw.
Door een gat in zijn mouw
Blikten mieren en wurmen en spinnen.
Zijn horloge stond stil,
En ƩƩn glas van zijn bril
Was kapot en het ander beslagen.
Op de rand van een zak
Van zijn vest zat een slak,
Een erg slijmrige slak, stil te knagen.
In een wip was de lust
Om te vrijen geblust
Bij het paar. Zelfs geen woord dorst het te spreken.
’t Zag van schrik zó spierwit
Als een laken, wen dit
Reeds een dag op het gras ligt te bleken.
vrijdag
12
Januari
’K ben Brahman. Maar
we zitten zonder meid.
Ik doe in huis het een’ge, dat ik kan:
’K gooi mijn vuilwater weg en vul de kan;
Maar ’k heb geen droogdoek; en ik mors altijd.
ZƬj zegt, dat dat geen werk is voor een man.
En ’k voel me hulp’loos en vol zelfverwijt,
Als zij mijn lang verwende onpraktischheid
Verwent met wat ze tooverde in de pan.
En steeds vereerde ik Hem, die zich ontvouwt
Tot feeƫrie van wereld, kunst en weten:
Als zij me geeft mijn bordje havermout,
En ’k zie, haar vingertoppen zijn gespleten,
Dan voel ik ƩƩnzelfde adoratie branden
Voor Zon, Bach, Kant, en haar vereelte handen.