woensdag 3 september 2025

 

woensdag

3

September

 

Ballade van den boer

Er stonden drie kruisen op Golgotha,
Maar de boer hij ploegde voort.
Magdalena, Maria, Veronica,
Maar de boer hij ploegde voort,
En toen zijn akker ten einde was,
Toen keerde de boer den ploeg
En hij knielde naast zijn ploeg in het gras,
En de boer, hij werd verhoord.

Zo menigeen had een schonen droom,
Maar de boer hij ploegde voort.
Thermopylae, Troja, Salamis,
Maar de boer hij ploegde voort.
Het jonge graan werd altijd groen,
De sterren altijd licht,
Gods woord streed in de wereld voort
En de boer heeft het gehoord.

Men heeft den boer zijn hof verbrand,
Zijn vrouw en os vermoord;
Dan spande de boer zichzelf voor den ploeg,
Maar de boer hij ploegde voort.
Napoleon ging de Alpen op
En hij zag den boer aan ’t werk,
Hij ging voor Sint-Helena aan boord
En de boer hij ploegde voort.

En wie is er beter dan een boer,
Die van de wereld hoort,
En hij ploegt niet, wat er al geschiedt
Op dezen akker voort.
Zo menigeen lei den ploegstaart om,
En deed het werk niet voort,
Maar de leeuwerik zong hetzelfde lied,
En de boer hij ploegde voort.

Heer God! De boer lag in het gras,
Toen droomde hij dezen droom:
Dat er eindelijk een rustdag was
Naar apostel Johannes’ woord.
En de kwaden gingen hem links voorbij
En de goeden rechts voorbij,
Maar de boer had zijn naam nog niet gehoord
En de boer hij ploegde voort.

Eerst toen de boer dien hemel zag
Zo vol van lichten schijn,
Toen spande hij zijn ploegpaard af,
En hij veegde het zweet van zijn voorhoofd af,
En hij knielde naast zijn stilstaand paard,
En hij wachtte op Gods woord.

Een stem sprak tot aarde, hemel en zee
En de boer heeft haar gehoord:
– ‘Terwille van den boer die ploegt
Besta de wereld voort!’




J.W.F. Werumeus Buning (1891-1958)
uit: Negen balladen (1935)

vrijdag 29 augustus 2025

 

vrijdag

29

augustus

 

Zonnelied

 

Naar een tekst van Franciscus van Assisi

 

 

Allerhoogste Heer die alles draagt,

heel de wereld straalt van uw zegen.

De schepping zingt uw diepste naam.

Heer van licht en liefde, wees geprezen.

 

Door de zon, de grote broer, kijk hem eens stralen,

net als U verlicht en koestert hij de aarde.

Door de maan, de zus van licht, met alle sterren:

duizend lampjes in de eindeloze verte.

Door de wind, de broer die altijd wil bewegen.

Hij mag waaien waar hij wil en brengt ons leven.

Alleluia!

 

Refrein

 

Door het water, onze zus, zo fris en helder.

Zij brengt leven en stroomt nederig weer verder.

Door het vuur, de broer, zo mooi met al zijn vonken.

Kijk, zijn vlammen dansen vrolijk in het donker.

Door de aarde, onze zus met al haar bloemen.

Als een moeder blijft ze dragen, blijft ze voeden.

Alleluia!

 

 

Refrein

 

 

Door uw kinderen die anderen vergeven.

Dankzij hen is er weer ruimte om te leven.

Door de mensen die het lijden met U delen.

Uit uw hand ontvangen zij een kroon van vrede.

Door de dood, de zus die komt om ons te halen:

dag van vrede voor wie leeft van uw genade.

Dank U dat wij in dit loflied mogen leven,

en dat wij U mogen dienen hier beneden.

 

Alleluia!

 

 

Tekst: Liesbeth Goedbloed, Roeland Smith, Michiel van Heusden

Muziek: Adrian Roest, Roeland Smith, Michiel van Heusden

 

© Schrijvers voor Gerechtigheid

Muziek

zondag 24 augustus 2025

 

zondag

24

Augustus

 

De stilte der natuur heeft veel geluiden
en is toch vol van rust voor ziel en zinnen
die druppelt zacht en ongemerkt naar binnen
tot in ons hart een zilv'ren toon gaat luiden
gelijk met haar. Als we dan weer beginnen
te denke' aan wereld-dinge' en ze te duiden
merken we dat een kracht, als die van kruiden
in ons gekome' is en ons kalm doet minnen.

Er zijn nu veel, die dit geluid nooit hooren;
zij missen het aandachtige en het teere
als wie als kind geen moeder heeft gehad.

Maar de tijd die komt zal menschen weer leeren
gelukkig te zijn onder haar akkoorden
en drijven uit hun bloed de koorts der stad.



Henriette Roland Holst (1869-1952)
uit: 
De nieuwe geboort (1928)

zaterdag 16 augustus 2025

 

zondag

16

Augustus

 

Vroege voorjaarsavond

Het ongelezen boek viel naast hem neder;
Hij streek langs de ogen met een vage hand,
En keek naar buiten: 't eerste lenteweder
Betoverde het schemerende land.

Er was een waas van het aanvanklijk lover
Om het afzonderlijke, zwarte hout,
En iets als zoelte zweemde de avond over,
Maar waar de wind zijn vleugel sloeg was 't koud.

De lenten gingen en de lenten komen;
De wereld is een onverganklijk oord,
Waaraan de harten, eenmaal opgenomen,
Niet meer ontwijken dan door de éne poort.

Waarom dan zich in dromen te vergeten?
Laat het boek ongelezen. Wie, die 't deert?
Er is maar één ding, dat wij zeker weten:
Dat eens de lente ons nimmer wederkeert.

 

J.C.Bloem (1887-1966)


donderdag 31 juli 2025

donderdag

31

Juli

Sontvloet. Monosyllabicum.

Hooch en lanck,
Breet van ganck,
Dick en starck
Was de Arck.
Daer in clam*
Sem en Ham
Met zijn broer,
Vaer en moer,
En noch dry
Wijfs daer by.
Al het vee
Had daer stee.
Hart en hind,
Brack en wind*,
Beyr en leeu,
Roeck en spreeu,
Peirt en os,
Haes en vos,
Swijn en aep,
Geyt en schaep,
Losch en das
Daer oock was.
Hen en haen,
Specht en craen,
Duyf en paeu,
Uyl en caeu,
Raef en gier
Vant men hier.
Craey en snip
Vlooch int schip.
Musch en vinck
Daer in ginck.
Draeck en slang
Men hier dwang.
Hont en cat,
Muys en rat,
Groot en cleyn,
Vuyl en reyn,
Quaet en goet,
Fel en soet,
Wilt en tam
Daer toe quam.
Al wat vloog
In het droog,
Al wat croop,
Of zijn loop
Had' opt lant
Quam ter hant*.
Wat men niet
In en liet
Mensch of beest
Gaf den geest
In den grond*,
Om de sond
Die het al
Bracht ten val.
Paer by paer
Trat daer naer
Weer aent lant,
Door Gods hant
Die liet af
Van zijn straf.
Hem, de Heer,
Sy de eer!



Jacobus Revius (1586-1658)
uit: Over-Ysselsche sangen en dichten (1630)

 

Clam: klom
Brack en wind: jachthond en windhond
Quam ter hand: kwam volgzaam
In den grond: op de aarde


donderdag 3 juli 2025

 

donderdag

3

Juli

 

Rinaldo Rinaldini

In de duisternis der bossen,
In een hol met loof bedekt,
Rust de dapperste der rovers,
Tot hem zijne Rosa wekt.

Rinaldini, roept zij minzaam,
Rinaldini, sta toch op:
Uw gezellen zijn al wakker
En de zon ging ook reeds op!

Langzaam opent hij zijn ogen,
Ziet haar vriend'lijk in 't gezicht;
Zachtjes zinkt zij in zijn armen,
Sluit zijn mond met kussen dicht.

Buiten keft een koppel honden,
Alles rept zich heen en weer
En men gordt zich aan ten strijde,
Men laadt dubbel zijn geweer.

Rinaldini, welbewapend,
Treedt in 't midden van de hoop:
Goede morgen, kameraden,
Wat is hier zo vroeg te koop?

Onze vijand laat zich horen,
Nadert reeds met honderd man!
Niet versaagd, zij zullen 't weten,
Hoe een woudzoon strijden kan!

Winnen zullen wij of sterven!
Allen gaan daarmee akkoord
En hun roep klinkt door de dalen
En de bergen schallend voort.

Zie hen lopen, zie hen strijden,
Thans verdubbelt zich hun moed.
Maar helaas, zij moeten wijken,
Spillen vruchteloos hun bloed.

Rinaldini, ingesloten,
Vecht zich vrij en maakt zich los,
En hij vindt een onderkomen
Op een bergslot in het bos.

Achter dikke, donk're muren
Smaakt hij weder nieuw geluk:
Dianora komt hem troosten,
Met haar zachte handendruk.

Rinaldini, ed'le rover,
Gij rooft vrouwen hart en rust:
Vurig zijt gij in den oorlog,
Teder in uw liefde en lust!



Anoniem, begin negentiende eeuw.

zondag 4 mei 2025

  

zondag

4

mei

 

Maria van de vluchtende moeders


En het geschiedde in de dagen van Asad, in Syrië,

dat mensen vluchtten uit hun stad, en uit hun huizen.

Zo ook Mirjam die zwanger was en terwijl ze moest vluchten

de bommen om haar oren hoorde suizen.

.

Ze stond op ’t punt haar kindje te gaan baren

en ze voelde zich zo eenzaam en verloren.

Want er was nergens plek, niet eens een bed,

waar haar baby kon worden geboren

.

Ze kreeg haar baby tussen kermen en zuchten

en ze had het zich zo anders voorgesteld.

Ze had haar kindje een wereld vol geluk beloofd,

zonder schreeuwen, zonder kermen en geweld.

.

Ze zag zijn oogjes en hoorde hem huilen

en ze hoorde het gedonder en gegil.

En ze smeekte om vrede op aarde

voor de mensen van goede wil.

.

En Maria streek over haar haren,

hield haar vast en streelde haar gezicht.

En toen de bom opnieuw op de mensen viel,

nam ze haar en haar kindje voor altijd mee naar het licht.

.

En het geschiedde dat er honger was in Afrika

en mensen vluchtten uit hun stad, en uit hun land.

Zo ook Mariah die zwanger was en terwijl ze moest vluchten

in een wankel bootje was beland.

.

Ze stond op ’t punt haar kindje te gaan baren

en ze voelde zich zo eenzaam en verloren.

Want er was nergens plek, niet eens een bed,

waar haar baby kon worden geboren.

.

Ze kreeg haar baby tussen huizenhoge golven

en ze had het zich zo anders voorgesteld.

Ze had haar kindje een wereld vol geluk beloofd,

zonder schreeuwen, zonder kermen en geweld.

.

Ze zag zijn oogjes en hoorde hem huilen

en ze hoorde de angstkreet en gegil

En ze smeekte om vrede op aarde

voor de mensen van goede wil.

.

En Maria streek over haar haren,

hield haar vast en streelde haar gezicht.

En toen het water het bootje overspoelde,

nam ze haar en haar kindje voor altijd mee naar het licht.

 

uit De Maria Monologen; Elise Mannah, Elly Zuiderveld, Ineke Ter Heege en Henk Doest