woensdag 6 december 2017

Woensdag
6
december

Witte plek

Terra incognita,
'Hic sunt leones
: Oei!
Tekst op de landkaart,
getekend door Blaeu


Deze omschrijving past
ontegenzeggelijk
ook op het hart van
uw man of uw vrouw.


Kees Jiskoot (1933-2015)

dinsdag 5 december 2017

Dinsdag
5
december
Sint Nikolaas
Een Sprookje

Komt hier eens, Kinders, en let op;
‘k Vertel van Sinter-Klaas,
En van een brave Ambachtsman,
De arme Huibert-baas.

De goede Sinter-klaas was oud;
Hij droeg een witte baard;
En aan zijn witte mantel was
Het laken niet gespaard.

En als hij van zijn hoge stoep
De weg nam door de stad,
En dan zo deftig met die baard
En met die mantel trad,

Dan wisten ook de kinders al,
Naar welke kant hij ging,
En waarom weer dat brede zeil
Hem van de schouder hing:

Dan hield de goede man een pak
Voor ’t volk op straat verstopt,
En bracht het naar ene arme buurt,
Met kinders opgepropt.

Daar sloeg hij dan zijn mantel los,
En ’t was: “Dit is voor Jan,
Die daaglijks, als de meester roemt,
Zijn les het beste kan.

Dit is voor Keetje, die zo vroeg,
Het breien al verstaat;
En dit voor Hein, die niet meer dwingt,
En zich gezeggen laat.

En hier komt, voor die zieke bloed,
Daar ginder in de hoek,
Een peperhuis met vijgen aan,
En – kijk! – een prentenboek.”

Zo stapte hij, deur in, deur uit,
Van steeg tot steegje voort;
Maar als hij op zijn schimmel zat,
Dan ging hij uit de poort!

Dan reed hij naar de buitenlui,
En schimmel had zijn vracht,
Want ieder kind, een uur in ’t rond,
Dat arm was, werd bedacht.

Maar in de stad van Sinter-Klaas
Was ook een Ambachtsman,
Die at droog brood, en schaamde ’t zich,
En sprak er niemand van.

Hij maakte schoenen al zijn best;
Hij werkte laat en vroeg,
En voor tien kinders en een vrouw
Was ’t nog al niet genoeg.

Doch Sinter-Klaas vernam in ’t lest,
Wat HIJ niet weten wou:
Hij zoekt, bij nacht, zijn woning op,
Spijt duisternis en kou.

Hij trekt het winkelvenster los,
Dat met geen grendel sluit;
En ’t glasraam laat zijn goudbeurs in,
Door een gebroken ruit.

En ’s andrendaags zet Huibert-baas
(Gij weet – die Ambachtsman!)
Zich bij de lamp reeds aan zijn taak,
Zo wakker als hij kan:

Daar valt hem, van de driestal, juist
Een kleine schoen in ’t oog;
En, zie, die schoen bewaarde ’t geld
Getuimeld van omhoog!

Nu denkt, wat vreugd bij man en vrouw,
En kindren alle tien! –
Wie, om een hoekje, van nabij
Hun vreugde eens had gezien! –

Nochtans hun vreugd was kort van duur;
Want Huibert riep: “Houd stil!
’t Gevondene is geen oordje waard,
Voor die niet stelen wil!

’t Hoort zeker aan die vreemde Heer,
Van gistren avond laat:
Hij stond, toen hij zijn riemen kocht,
Omtrent waar Antje staat;

En, naast haar, in die kinderschoe,
Lag net de beurs met goud! –
De burgemeester weet misschien,
Waar zich die Heer onthoudt:

Daar is mijn schort! ik moet er heen!
‘k Wil lopen wat ik kan!
Zo sprak Huib, en, gelijk hij sprak,
Zo dééd de brave man.

Mààr – wat de Burgemeester deed? –
Hij ging naar Sinter-Klaas;
Want DIE toch schonk, naar HIJ ’t begreep,
Het geld aan Huibert-baas.

Ras haalt men Huibert. Huibert komt –
Zijn meettuig in de hand:
De goede ziel kreeg Sinter-Klaas
(Gelijk hij dacht) tot klant.

Maar Sinter-Klaas sprak: “Huibert-baas,
Ik ben de man van ’t geld:
Het vond zijn weg door ’t vensterglas,
En hoefde geen geweld.

De beurs is in een kinderschoe
Gevallen, naar ik hoor?
Breng MIJ het paar, en hou’ de beurs;
Ik geef ze er gaarne voor.”

En Huibert wiste met de mouw
De tranen uit zijn oog,
Zei snikkend dank, en ging, en trad
Zo luchtig of hij vloog.

En, als nu vrouw en kind het wist,
Liep Huib weer op een draf –
Kocht leer in, bij zijn broeders weeuw –
En dong de sloof niet af.

En spoedig wist de ganse stad,
Hoe braaf baas Huibert was,
En praatte van de kinderschoe,
Waar ’t geld in viel, door ’t glas:

“Een kinderschoe bracht Huib geluk:
Dat blijv’ zo!” riep elk een;
‘k Bestel er bij geen ander meer –
Baas Huibert maak’ ze alleen.”

En Huib nam, van zijn jongenstroep,
Twee gasten tot zijn hulp,
En brak naar groter woning op,
Van uit zijn enge stulp;

Maar ’t raam aan straat verhuisde mee
Voor alle schaa bewaard;
En ’t bleef, ter eer van Sinter-Klaas,
Bij ’t kleinkind nog gespaard.



A.C.W. Staring (1767-1840)

maandag 4 december 2017

Maandag
4
december

Op weg naar Sint Petersburg
De mode hier is morgen mode daar
Dus zond Parijs zijn afgedragen goed
Gewiekst met schepen vol naar Zweden, waar
De pruik weer puik, de hoed
Weer prachtig stond. Ze waren daar een jaar,
Of meer nog, achter en dus dik tevreden.
Ze speelden het Parijse repertoire
Gewoon opnieuw, de Russen en de Zweden.
Eens zonk, zo wordt verteld, zo’n modeschuit.
En in hun netten vonden vissers later
Een kabeljauw in rok met Schotse ruit,
Een zalm in wit satijn, de hals zeer laag,
Een baars in baljapon; en door het water
Gleed traag een haai met een matrozenkraag.

Gerrit Komrij (1944-2012)

zondag 3 december 2017



Zondag
3
december
Het huwelijk (vanuit haar perspectief)

Toen ze bemerkte hoe met het klimmen der jaren
de stem van haar man verstilde tot een woordloos klagen,
zijn ogen door tijd en spijt langzaam dichtgeslagen
ze gruwde bij de over zijn bonkige schedel gekamde haren.

Ze zuchtte, diep, dramatisch, terwijl ze nijdig haar nagels beet
keek langs hem heen naar het portret van betere tijden,
probeerde uit alle macht, maar vergeefs te herleiden
waar, op welk moment hun liefde in de afgrond gleed.

Ondertussen vegeteerde hij, rokend in zijn sta-op-stoel
slechts sprekend, niet eens naar haar, met een droge rochel.
Ze keerde haar blik van de pendule naar zijn wrakkige bochel
in de spiegel schrok ze toch weer van zijn sacherijnige smoel.

Ze dacht: ik doe iets in zijn koffie en dump hem in het kanaal.
Ik hunker, mijn leven moet uit de modder worden opgedist,
als ik maar alvast een afspraak maak bij de schoonheidsspecialist
en bij Tinder voortvarend begin, aan een nieuw liefdesverhaal.

Maar ze deed niets in de koffie, want tussen denken en doen
staat angst op de wacht, voor het oordeel van vrienden en rechtspraak
en misschien zelfs het miserabel missen van haar zorgtaak
die betekenis geeft, het gevoel van recht op het maand’lijks pensioen.

Zo werd ze oud en ouder. De kat ging dood
en eenieder zag dat deze eens zo mooie, levendige vrouw
van de weeromstuit was opgevreten door een knagend berouw
tot ze stierf, met in haar keelgat vastgeschoten een macadamianoot.


Erno Mijland

zaterdag 2 december 2017

Zaterdag
2
december

Het ouwe lijk

Mij doodslaan kon je niet, een duwtje van de trap,
een vlijmscherp keukenmes, kortsluiting genereren,
een doorgeroest balkon, onhandig inparkeren,
zo moeilijk is dat niet - maar jij bent veel te slap.

Was ervandoor gegaan! Dan kon een jonge meid
nou mooi de schimmel van je stramme voeten wassen
en vijfmaal wakker worden omdat jij moet plassen,
dat was ik van jouw akelig gesnurk bevrijd.

Je komt niet uit je stoel, weet niets beter te doen
dan met dat helse smoel zeuren over bezwaren
en wetten als de sufste van de ambtenaren
op je kantoor. Maar goed, je hebt een mooi pensioen

en dat komt ons van pas als wij de stad in gaan:
de kinderen zijn groot, wij gaan gezellig eten,
jij ligt voor dood op bed, vervaarlijk, godvergeten.
Wij rouwen niet om jou, want jij hebt afgedaan.


Koos Hagen 
Dagkalender van de poëzie 2006

vrijdag 1 december 2017


Vrijdag
1
december

De Wederhelft

Toen zij bespeurde hoe de kanker van de tijd
de ogen van haar man deed zwellen — twee tumoren;
zijn lach had weggeteerd, zijn hoofd had kaalgeschoren;
besloot ze, afgedankt, te leven voor haar nijd.
.
Ze vloekte binnensmonds, maar grijnsde hem lief toe
toen hij, in walg, haar ochtendlijk toilet begluurde;
zelfs toen, toch weer, zijn lust hem naar haar lichaam stuurde
en hij kokhalzend neerkeek op ‘die oude koe’.
.
Nooit viel ze uit haar rol, al spoog zijn helse mond
verwijten als een zuur. Ze kweet zich van haar plichten,
maar lachte zwijgend zó, dat hij haar nors betichtte:
Zij wenste hem reeds nu een bed onder de grond!
.
Ze dacht: ik sla hem dood, begraaf hem in de tuin.
Naast hem de hoer die elke dinsdag, twintig jaren,
de oorzaak was van het verlies van al zijn haren.
Daarna die reis, van Palma naar de Balearen,
die hij steeds heeft belet, uit schrik voor ’t zilte schuim.
.
Maar doodslaan deed ze niet, want tussen droom en daad
staan wetten in de weg, en praktische bezwaren.
En ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.
.
Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot
En zagen dat de vrouw die zij hun moeder heetten,
Als altijd stil en grijnzend bij de haard gezeten,
Een extra sjaal om haar verkwijnde schouder sloot.


Tom Lanoye

donderdag 30 november 2017

Donderdag
30
november

Zo gruwelijk
voor Caroline

Toen zij merkte dat hij steun zocht bij een wandelstok
en bij het trappenlopen halverwege zitten moest
- het voorhoofd klam en met een nare rokershoest -
toen wist ze: trouw van je leven nooit een ouwe sok.

Ze vloekte binnensmonds en hees haar manlief op
en voelde weer de schaamte voor dat ouwe lijf,
eens had ze het bemind, nu was het stijf,
ook had hij schilfers op zijn kale kop.

En dood gaan deed hij niet, dat ouwe lijk.
Niks kreeg hij meer omhoog, zij moest alles voor hem dragen,
als ze er ook maar iets van zei, begon hij jammerlijk te klagen,
dan beet ze op haar lip, en dacht: ik zet hem aan de dijk.

's Nachts snurkte hij en zag ze tanden trillen in een waterglas.
Wie bluste in hun lits-jumeaux haar vuur? Zij zou weer ongedurig woelen
en meteen na het ontwaken zijn pyamabroek uitspoelen
omdat hij er drie keer uit moest voor een branderige plas.

Maar weggaan dorst ze niet, want wat zij dacht, kon hij zelfs niet raden.
Hij wist van voren niet dat hij van achter leefde
en als hij naast haar stond en zo aandoenlijk beefde,
begreep ze dat een scheiding nog het meest haar zelf zou schaden.

Zo gingen jaren heen en zij onthield wat hij vergeten zou:
zijn pincode, zijn vrienden en al het lief en leed.
Ze heeft hem jaren zwijgend aan- en uitgekleed,
ze bleef per slot van rekening zijn vrouw.


Adriaan van Dis