dinsdag 15 augustus 2017

Dinsdag
15
augustus


Heloise en abelard
Alles had ons moeten scheiden,
alles bracht ons tot elkaar;
van een grondeloos verblijden
werd de najaarshemel klaar.

Nooit in 't bitterste uur van lijden
vroeg het hunkrend hart: tot waar?
Alles had ons moeten scheiden,
alles bracht ons tot elkaar.

Liefde die geknecht moet strijden
wordt eens luide en openbaar;
eens dekt ons dezelfde baar
die voor eeuwig zal bevrijden.

Alles had ons moeten scheiden...


Jan van Nijlen (1884-1965)
uit: de Vogel Phoenix

maandag 14 augustus 2017

Maandag
14
augustus

Grafschrift van een filosoof

Naakt was ik, toen ik werd geboren;
Naakt lig ik onder dezen steen;
'k Heb, sedert ik op aard verscheen,
Dus niets gewonnen of verloren.

Is 't wonder, dat de mensch in 't leven
Het beste spoor zoo moeilijk vindt ?
Twee gidsen, die hem voort doen streven,
En beurtlings wenk en spoorslag geven,
Fortuin en Min zijn beiden blind. 





Johannes Immerzeel (1776-1844)

vrijdag 11 augustus 2017

Vrijdag
11
augustus


Achtste grafgedicht

Maria van Burgondië ligt te Brugge in brons;
Ilaria del Caretto in Lucca lieflijk ligt,
in marmer uitgehouwen 't wassen aangezicht,
zooals Medea Colleoni in Bergamo.

Het vleesch der afgestorvenen wordt op aard verdrongen
door marmer, brons, arduin; zilver en goud
op urnen, tomben, schrijn en sarcophaag behoudt
reliëf bedriegelijk voor aderen, beenderen, longen.

Waardoor, waardoor verblijft uw lichaam hier?
Wat neemt op aard de plaats in die gij naamt?
Welk koper, welke steen vervangt er uw geraamt?
Alleen mijn woorden, letterteekens, inkt, papier
.




Christine D'haen (1923-2009)
uit: Twaalf grafgedichten voor Kira van Kasteel

donderdag 10 augustus 2017

Donderdag
10
augustus

La condition humaine

Straks komt de tijd dat ik niet meer zal weten
wat er gebeurt hier en in ’t buitenland,
en dat het glas gaat beven in mijn hand
eer ik in slaap val bij het middageten;

dat ik verbijsterd aan een waterkant
vraag: is dat nu de Schelde of the Lethe,
dat ik ’t insekt verwar met kruid en plant
en zelfs de naam der bloemen ben vergeten.

Maar dat ik, kind, de volheid heb bezeten
van het geluk in een verloren land,
dat is het éénge wat ik nog zal weten.


Jan van Nijlen (1884-1965)

dinsdag 1 augustus 2017

Dinsdag
1
augustus



Toen kwam ik in een groote stille stad.
De huizen-oogen waren zwart en dom
En zonder glans. Zij keken droef en mat ...
De lucht was vol van somber klokgebrom.

Daar kwam een stoet. Vóóraan een man, die bad;
En dan veel mannen, zwart, de ruggen krom,
Of 't leed ze allen kromgebogen had
Met centnaars* last. Zij weenden stil en stom.

En elk van hen had in de droeve handen
Een kistje met een floers van krep* erom, —
Verwelkte rozen waren aan de randen.

Wat eens aan hoop en liefde in hen glom,
Dat droegen zij naar 't graf. Hun oogen brandden,
Hun harte brak bij 't somber klokgebrom.





G.C. van 't Hoog (1869-1951)

maandag 31 juli 2017

Maandag
31
juli


Uit Brabant

Melancholiek is 't klinken van de bellen 
Aan 't haam* van 't paard, dat stapvoets sloft in 't zand, 
Het opgeschoffeld stof zweeft naar de kant 
En gansche zwermen vliegen vergezellen 
Het beest, dat scheukt* en kopschudt van hun kwellen. 
De kop omlaag, door 't kwastig net omrand, 
Zo trekt het dier langs 't hooge dorre land 
De tweewielskar en blijft eentonig schellen*. 

En naast hem loopt de man, zijn evenbeeld, 
In 't grauwe kleed met sjokkig loomen gang. 
Verweerd zijn hoofd en haar, de hand vereelt 
Staag klapt de zweep, doch maakt zijn paard niet bang: 
Zij hebben saam te lang hun werk gedeeld 
En sukklen samen voort hun leven lang. 



Johannes B. Schepers (1865-1937)

zaterdag 29 juli 2017

Zaterdag
29
juli


Kwatrijnen

Zoolang de oorlog, dwars door zijn alarmen,
Gedoogt dat wij ons aan elkander warmen,
Zal ik het leven niet verbeteren,
Vanavond wil ik slapen in uw armen.
*
Ik zie mijn hand, zij zal mij eens begeven.
Ik zie het zonlicht op het water beven.
Ik hoor de stem, die mij het liefste is.
Ik schrijf: een snel, smal randschrift op het leven.
*
Vanmorgen zei mijn vader: kind sta op.
Vanmiddag plukte ik grijs haar uit mijn kop.
Ik moet nog leven, nog ik weet niet wat doen;
Vanavond geeft het hart zijn laatsten klop.
*
Ook wie het lot in eigen handen neemt,
Den doolweg volgend die ’t gemeen bevreemdt,
Vindt overal de tirannie der raadslen;
En van de vrijheid slechts wat er naar zweemt.

Han G. Hoekstra (1906-1988)
uit: Panopticum (1946)