dinsdag 11 juli 2017

dinsdag
11
juli

Eerste avond op Northrock

Ik die hier eindelijk te schrijven zit
’t was vijf uur varens van de overkant –
ben weer gewend. Want nauwelijks geland
liep ik vijf mijlen voor een lampepit.
Niets raakt ooit, sinds St. Patrick, uit zijn stand
in dit gehucht waarvoor ik dagelijks bid.
Thans is het avond. En de lamp: hij brandt.
Komt, zuster stilte, zuster eenzaamheid,
gij enigen die mij vertrouwelijk zijt:
behoedt mij. Hoedt de lampkring en mijn hand.


Ida Gerhardt (1905-1997)

vrijdag 7 juli 2017

vrijdag
7
juli

Spijt

De strijd tegen het roken wordt verhard
Men maakt een eind aan onbekommerd zuipen
En waarschuwt wie verliefd in bed wil kruipen:
De mensheid groeit snel aan tot tien miljard

Zo blijkt dat van geneugten van mijn jeugd
Er achteraf niet eentje heeft gedeugd

Otto van Gelder

dinsdag 4 juli 2017

dinsdag
4
juli
• Warmweergedicht bij uitstek.
.
Een vers dat als een nachtkaars uitgaat

In een dilligence zaten
Negen menschen bij elkaar;
’t Was een dag van groote hitte,
En de lucht was drukkend zwaar.

Alles wat die menschen zeiden,
Kwam zoowat op ’t zelfde neer:
Niemand hunner sprak tenminste
Anders dan van ’t heete weer.

Naast een jongen, dwazen dandy
Zat een onderofficier;
Nevens hem een rijzig zeeman,
Over dien een rentenier.

Naast den rentenier een nufje,
Als een uitgeknipte prent;
En naast haar een burgerjufvrouw
Met een Amsterdamsch accent.

’t Was een ruwe paardenkooper,
Die weer achter deze zat,
En gewoon was zóó te spreken,
Of hij hooge ruzie had.

Aan zijn zijde een reizend hand’laar,
In zijn spreken razend vlug,
En daarnaast een rimp’lig bestje,
Bevend en gekromd van rug. 
” ’t Is fameus!” zoo spreekt de dandy,
En daarbij wordt uiterst net
Met twee vingers en twee duimen
’t Kneveltjen in krul gezet:

” ’t Is fameus vandaag, meneeren!
Etouffant is de atmosfeer!
Men gaat waarlijk languisseeren
Naar wat vocht, – mijn woord van eer!”

“Ja!” zoo antwoordt hem de zeeman,
En zijn dasknoop zit al laag,
Maar hij trekt dien nog wat lager,
Tot zoowat de streek der maag:

“Erger nog as in Oostinje
Brandt de zon hier op je huid;
’t Merg druipt weg uit al je knokkels;
’t Pek loopt al de naden uit.”

“Ja, ’t is warm,” zoo zegt de man nu
Die stil van zijn renten leeft,
En wiens hals een hooge heining,
Wit en helder om zich heeft:

” ’t Is zeer warm,” vervolgt hij, – keurig,
Of ’t zóó naar de drukpers moet:
“Anders is de zon zoo lieflijk,
Maar thans kwelt derzelver gloed.”

“Stel je voor,” zoo zegt de krijger
Trekkend aan zijn kinnebaard, –
Hand’ling, waar een ernstig fronsen
Van het voorhoofd zich mee paart:

“Stel je voor, ‘k heb met zoo’n hitte
Eens vijf uren gemarrcheerrd
’t Was wat! Maar – in mijn carrière
Dient bepaald geobediëerd.”

“Nou maar,”spreekt de paardenkooper
Op zijn ouden ruzietoon, –
En zijn pet, heel schuin gestooten,
Dekt zijn hoofd niet, maar zijn koon, –

“Nou maar, wat wou jullie praten!
‘k Leg hier de verklaring af,
Dat ik eens een dag beleefd heb,
Dat een peerd geen schaduw gaf.

‘k Was op weg: ‘k wou wat schuilen
Achter ’t peerd, maar ja! toen scheen –
’t Is zoo waar als ik ’t je zeg, hoor! –
’t Zonnelicht er dwars doorheen.”

” ‘k Weet nog wel,” zegt nu het bestje,
En het bruine bovenvlak
Van haar hand loopt langs haar neus heen, –
“Dat de musschen van het dak

Zoo maar morsdood kwamen vallen,
Doe ik nog een meiske was;
En het vee kreeg ’s zeumers koeken,
Want er stond geen sprietje gras.”

“Ja, enfin!” zoo spreekt de hand’laar
In een snellen woordenvloed:
“Zie je? een glaasje grog van bessen
Straks in ’t Posthuis, dat doet goed.

Ik ben altijd reizend , zie je?
Nu, enfin, dan kent men dat.
Grog of Beiersch, – prachtig! heerlijk!
Van dat Beiersch, frisch van ’t vat!”

“Och!” zucht nu de burgerjufvrouw
“Liefe minsch! ‘k bin sou verhit!
’t mot wel sijn, sou ‘k haast geloufen
Da’k sou an de sonsij sit.

Op uws plaassie is ’t nog beiter,
Maar hier sweit een minsch sich doud;
‘k mot u seggen: van mijn handen
Loupt een plassie in me schout.”

Van de hitte spraken allen, –
Maar die eene stijve nuf?
Wel, die zei daarbij maar telkens
Met haar zakdoek waaiend: “pf!”

In meer dan éénen zin, maar ook door dit besluit,
Gaat dit verheven dicht gelijk een nachtkaars uit.


Eliza Laurillard (1830-1908)
uit: Ernstig en los (1874)

maandag 15 mei 2017


Maandag
15
mei

Russisch gebed
“Balalaïka-orkest”

Heer, langs de steppen trekken vreemde paarden.
De dag was dor, en avond droef en zwaar.
Heer, op het veld, het rood-en-zwart bezwaarde,
brandt laag de zon, als kaars op een altaar.

Heer, dorpen aan de doez’lig’ einder branden;
de stroom, die langs de dorpen spoelt, is rood.
Heer, stilten, vreemd als schepen, die gaan landen
aan verre kust, staan bij ons, stom en groot.

Heer, machten, angsten die we nauw’lijks kennen,
zinkt nu de nacht op onze schouders neer.
Heer, om ons al gevaren, ongewende
en ongetelde. En gij zo ver, o Heer!

Johan Theunisz (1900-1979)
uit: Het klare dagen (1923)

zondag 14 mei 2017

Zondag
14
mei
Moeder

Moeder naar wier liefde mijn verlangen
Sinds mijn kinderjaren heeft geschreid,
Ach, hoe zult gij mij zoo straks ontvangen
Na den langen scheidingstijd?

Zult gij me aanstonds als uw kind begroeten,
Als ‘k ontwaken zal uit mijnen dood?
Zal ik nederknielen mogen voor Uw voeten
Met mijn hoofd in uwen schoot? …

Maar wat dan? Wat zult gij tot mij zeggen,
Bij het ver gegons van de engelenschaar,
Als ge uw jonge, blanke hand zult leggen
Op dit oude grijze haar?



Jacqueline van der Waals (1868-1922)
uit: Laatste verzen (1922)

vrijdag 28 april 2017

Vrijdag
28
april

De dichter en de dood

Een Perzisch dichter zag de Dood verschijnen.
“Wat doet gij daar?” sprak deze. “Ik maak kwatrijnen.”
“Die zoveel verzen schreeft door ’s Levens gunst,
schrijf gij de laatste”, klonk het, “door de mijne.”

De dichter liet dat woord zich niet herhalen,
Maar daar hij dichten moest ten laatsten male
Was ’t zóveel dat hem nog om woorden vroeg:
Hij kon die dag het einde moeilijk halen!

Maar toen hij na twee dagen en twee nachten
Aan ’t einde was van dichten en gedachten,
Lag, waar de Dood gestaan had, een papier:
“‘k Ben weg gegaan: ik kon niet langer wachten!”


J.J. van Geuns (1893-1959)

donderdag 27 april 2017

Donderdag
27
april

Oranje boven!

Ook ik blijf deze dag maar veilig thuis,
Want er bestaan modernere manieren
Om vrolijk Koninginnedag te vieren:
Ik surf naar www punt koningshuis

En met mijn vlag, mijn hoedje en mijn toeter
Zit ik te juichen achter mijn computer.





Driek van Wissen (1943-2010)

woensdag 26 april 2017

Woensdag
26
april


Miniatuur

Het heeft zich aldus toegedragen:
zij kwam hier hard voorbij gerend
en is daar, bij dat rood cement,
tweemaal over den kop geslagen,
men heeft haar naam nog kunnen vragen,
dit zijn de stukken van den wagen,
de oorzaak is ons niet bekend.




A.J.D. van Oosten (1898-1969)

maandag 24 april 2017

Maandag
24
april

Over rustigende vastheid die ik vond

De mensen zijn in twijfel gevangen
't gezicht van een god heeft de tijd gebleekt,
nu kom ik ze vertroosten met gezangen
van wat nooit wisselt en in niets ontbreekt.
Ik kan bemoediging zijn voor de bangen,
de klare stem die altijd rustig spreekt,
omdat mijn hart dat geen angstvallig hangen
aan wolken kent, ziet wat door wolken breekt.

Ik werd geboren met een aard die sterk
van zelf gaat naar de kern van alle zaken
maar veel stond tussen mij in en mijn werk.
Groeiende, heb ik dat opzij gezet:
het werd al lichter, alle duisters braken
en ik zag liefde als de levenswet.




Henriette Roland Holst-van der Schalk (1869-1952)
uit: Sonnetten en Verzen in Terzinen geschreven (1896)

zondag 9 april 2017

Zondag
9
april


Elegie

Een mierennest is hier nog rustig bij!
Geduw, getrek, het wriemelen van lijven.
Ach, hoefd’ ik toch niet langer meer te blijven,
Mijn slecht humeur trok weg; ik werd weer blij!

Ik volg gedwee, mijn vrouw loopt aan mijn zij.
De weg erheen deed mij alreeds verstijven.
Ik hou me in, ik wil beslist niet kijven,
Ik waak er voor dat ik niet zielig schrei.

Als lichtpunt kan ik hier nog wel vermelden:
’t Is droog, de zon schijnt in een blauwe lucht,
Maar desondanks sloeg ‘k liever op de vlucht.
Ik hoor nu eenmaal niet tot dit soort helden.

Nog liever ga ik naar een EO-biddag,
Dan naar de Bijenkorf op zondagmiddag!


Frans Woortmeijer

zaterdag 1 april 2017

Zaterdag
1
april




Mattheus

Mattheus buffelt aan zijn lessenaar
met ganzenveer zet hij minuskels neer
gehuld in rijk geplooide, witte pij
pent hij onafgebroken voor de Heer

zijn haardos krult van vreugde, hij is vrij !
nooit twijfelt hij aan deze blije leer
Mattheus buffelt aan zijn lessenaar
met ganzenveer zet hij minuskels neer

van tollenaar tot godsdienstijveraar:
een toonbeeld is hij van de ommekeer
zijn uitverkoren, brave bilpartij
zit op een knalrood kussen, God ter eer
Mattheus buffelt aan zijn  lessenaar
Met ganzenveer zet hij minuskels neer –



Inge Boulonois



donderdag 16 maart 2017

Donderdag
16
maart


De tovenaar

Dit gaat over een tovenaar.
Die man kan bijna alles, maar
niet toveren en dat is raar!
Zo loopt zijn goede naam gevaar.

Hij vraagt om raad bij heksje Saar.
Die schudt wat drankjes door elkaar
en mompelt iets van: l’art pour l’art,
vraagt 50 euro en is klaar.

En ook de sterrenwichelaar,
de melkboer en de zangleraar,
de smid, de duivelskunstenaar,
zij krijgen het niet voor elkaar.

’t Probleem lijkt onbehandelbaar.
die arme, arme tovenaar
zit met zijn handen in het haar:
en vindt het leven vreselijk zwaar.

Tot slot wordt hij maar goochelaar,
treedt op voor menig' kinderschaar
in Zwolle, Leiden, Wassenaar,
het wordt een groot succes zowaar.

En op een dag in Zevenaar,
(een prachtig trucje was net klaar),
roept door de zaal een kind, zomaar:
“Die man lijkt wel een tovenaar!”

En zo voelt onze twijfelaar,
de treuze- en de weifelaar,
zich niet zozeer een tovenaar,
maar wèl een levenskunstenaar.


Rudy de Menthère

woensdag 15 maart 2017

Woensdag
15
maart


Spoeddebat
Je zou je regelrecht in Artis wanen:
een kleine kikker kwaakt en blaast zich op,
luid toegejuicht door kippen zonder kop,
de ezels huilen krokodilletranen.

Een zevenslaper zit discreet te snurken,
een zwartekousenkraai krast ach en wee,
de ratelslang heeft weer eens geen idee,
maar wijt in stilte alles aan de Turken.

Ziedaar een blik in ’s lands vergaderzaal,
het onderwerp is de cultuur ditmaal.

Jan Boerstoel (1944)
uit: Veel werk (2000)

zondag 12 maart 2017

Zondag
12
maart

Eerste lentedag

Weer de lente. De verbijsterde oogen,
Falende in het winters bleek gezicht,
Zien de huizen en de bruggebogen
Op en neer gaan in het wankel licht.

Zien en zien niet door de duizelingen
Van de weer oneindige rivier;
Zon en water kruisen daar hun klingen
En het hart is bonzend en niet hier.

Weer een lente en de haar bitter-eigen
Zilte geur, die langs de kaden glijdt.
Is ’t het tij, dat stroomopwaarts komt stijgen –
Of de zeelucht van de eeuwigheid?


J.C. Bloem (1887-1966)

maandag 6 maart 2017


Maandag
6
maart



Ik zag een groot, wit veld met blijde scharen
Van groote bloemen, die op lange stelen,
Zich door het zoele windje lieten strelen,
En onbewust van eigen vreugde waren.

Ik zag ze rustig in het zonlicht staren,
En met de jonge zonnestralen spelen.
Ik zag het zoet gegolf dier bloemenbaren –
O! dat mijn hart die reine vreugde mocht deelen!

Dat ik die bloemenvreugd begrijpen kon,
Of wist, waarom de bloemen, die ik plukte,
Niet langer straalden in het licht der zon,
Maar angstig hoofdje tegen hoofdje drukten.

Was het de scheiding, die hen droef gemaakt had?
Of, dat een menschenhand ze aangeraakt had?


Jacqueline v.d.Waals (1868-1922)

maandag 27 februari 2017

Maanag
27
Februari

Lente

Het vogelkijn fladdert van klepper de klepper
tot meerdere glorie en eer van haar schepper
het kwinkeleert, fluit, hipt en hopt op en neer
dit alles tot lof van haar hemelse heer

Het danst op haar nestje alleen maar voor god
verdomme…, alwéér is een eitje kapot!


Rudy Menthère

zondag 26 februari 2017

Zondag
26
Februari

En eischt mijn God mijn hart voor zich alleen?

Jaloersche God! hoe naamt gij, éen voor éen,
De laatste vreugden, die mijn rouw nog had!
Zoo kil en donker wordt mijn winterpad.
De laatste gloor van avondrood verdween,
Aan ’t bruine struikhout bleef geen bloem, geen blad.
Ik zoek omhoog een ster – en vind er geen.
En eischt mijn God mijn hart voor zich alleen,
Mijn hart, dat eens tot lieven zich vermat?

   
Ik word gedreven door uw noodlotswind
En ‘k vind niet eens meer tranen voor mijn smart.
En weet gij niet dat uw geslagen kind
Niet kussen kan de roê, die sloeg zóo hard?
Zoo ‘k dof berust verg niet dat nog u mint
Dit door uzelf verbrijzeld liefdehart.

Hélène Swarth

zaterdag 25 februari 2017

Zaterdag
25
Februari


De sappige applen glansen

Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.
Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen ’t reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.
Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal.

Hélène Swarth (1859-1941)

donderdag 23 februari 2017

Donderdag
23
Februari

De Fantenkoning
 
Voorbij het land van Schorseneren
waar enkel maar de wind nog zucht
niet ver van de Slampampermeren
daar leven schepsels van de lucht
en in dat land van melk en honing
daar flierefluit de Fantenkoning

Wat valt er over hem te melden
hij houdt zich in het bos verschanst
en resideert in slaapbolvelden
alwaar hij louter lappen zwanst
en heel de dag de tijd verknoort
al heeft hij nooit van tijd gehoord

In bussels en langs waterkant
met niemendal in het verschiet
nut hij het niets, en dat constant
al pootjebadend in de vliet
de dagen dievend, en de nachten
met niks en noppes te verwachten

Van een ding weet hij wel van wanten
van duimendraaien wordt hij moe
de koning van het Land der Fanten
dus dekt hij zich met lummel toe
zijn muil gaat standje apegaap
voor een verdiende hazenslaap

Louise