maandag 20 november 2017

Maandag
20
november

Rondeel

De droom verliest zich in het lied,
Het lied zweeft in den nacht te sterven,
En wie zijn aardsche heil moet derven,
Gaat met het lied droomloos te niet.

De huizen bergen het verdriet,
Dat door den leegen dag moest zwerven,
De droom verliest zich in het lied,
Het lied zweeft in den nacht te sterven.

En om een glans die snel vervliet,
Om 't hart dat wil bezit verwerven,
Om bloed dat jaagt naar zijn verderven,
De nacht zingt ijler dan een riet:
De droom verliest zich in het lied.

H.W.J.M. Keuls (1883-1986)

vrijdag 17 november 2017

Vrijdag
17
november


Meneer Xi

Ach moeke, da’s toch Jezus nie
Die ze daar op gaan hangen?
Nee Fritske, dat is meneer Xi
Die wil hem graag vervangen

Arme Chinezen op het platteland moeten afbeeldingen van Jezus vervangen door die van president Xi, teneinde in aanmerking te komen voor steun.


Otto van Gelder

zondag 5 november 2017

Zondag
5
november


Herfstweide met koeiedrek

Vaak loop ik met een knik van moeheid in de nek
en vind den bijl moderner dan de guillotine
dat cynisch hoofd op de romantische ruïne
van lijfsverdriet – cultuurverraad in kort bestek

Het meisje van mijn hart lijdt al te groot gebrek
mijn tederheid is een verholen pantomime
mijn wellust de door ’t speelmoment vereiste grime
de requisieten: herfstweide met koeiedrek

Straks ben ik thuis en droom van vrouwen zonder lijf
en zonder stem vooral, in zijden crinoline
goedkoop als attribuut maar thuis in de ruïne

waar zij mij, aanzwevend, in boeiend spookbedrijf,
geboren uit een hostie bittere morphine
het heilig Sacrament der stervenden toedienen.


Anna Blaman, 1905-1960

(uit: De gedichten)

dinsdag 31 oktober 2017

Dinsdag
31
oktober

Empédocle

Empédocle was 'n ‘wijze’ en
wilde zien waarbij het kwam,
dat de Siciliaanse Etna
lava spuwde en rook en vlam.

- Hoe men mag, tot heden toe, de
vorsers, die op elk gebied
alles mordicus doorsnufflen
‘wijzen’ noemen, vat ik niet. -

Nu tot daar. Hij klom dus daaglijks
op de berg, en zwart en vuil,
zat er uren lang te kijken
naar het zieden van de kuil.

Te vergeefs. Want Vrouw Natuur gedoogt
niet of gedoogt niet licht,
dat men roekeloos de sluier
rukke van haar aangezicht.

Daar hij dus de machtloosheid ont-
waarde van zijn speurderszin,
Sprong de Griek verbijsterd en uit
wankelmoed de vierberg in.

Doch hij liet - tot blijvend teken
van zijn bluf en blinde waan -
op de kimme van de krater,
beide zijn sandalen staan.

En dit toont dat Zeus, die alles
wikt en weegt en wel bedenkt,
geren aan de grootse geesten
ook een greintje gekheid schenkt.





Omer Karel de Laey (1876-1909)

vrijdag 27 oktober 2017

Vrijdag
27
oktober

Menseling

Men trok een lijn over de kaart
en noemde dat de grens

Met aan die kant de vluchteling
en hier de eigen mens

Zou ik nou midden op die lijn
een menseling of vluchtmens zijn?

Otto van Gelder

woensdag 18 oktober 2017

Woensdag
18
oktober

Kunegonde van Heesewick

Als d’ herfst in Brabant hei en bosch verblauwt
en ’t triestig over heel de wereld is,
de sloot verroest, de smuik waast in het lis,
de zon neerslachtig door de pepels grauwt,

dan schimt er een kasteel daár, doodsbenauwd…
Een gloed smeult laat in elke vensternis,
een spuwer druipt zwart water in ’t vernis
der gracht; mosgroene leeuw de poort beklauwt.

Men huivert, grafstil is ’t; een knorr’ge weerhaan schraaft
en rosse muggen weemlen doelloos op de gracht;
geen oude slotheer sloft langs gaanderij en zaal…

Tot daar opeens aan ’t torenraam weemoedig lacht
het bleek gelaat van Kunegonde, schoon-begaafd,
die met haar sluier wuift tot Gallo, haar gemaal
.



Karel van den Oever (1879-1926)
uit: Verzen uit oorlogstijd (1919)

zondag 15 oktober 2017

Zondag
15
oktober

De dikste kloostermuren zijn bezeten
En spitsen de ooren naar ons veil rumoer,
Ik ben op u, gij zijt op mij gebeten.
Ik ben de duivel, en gij zijt moer!

Mijn liefde heb ik aan uw val gemeten.
Ik sla de maat voor een soldatenhoer.
De dikste kloostermuren zijn bezeten
En spuwen kruis en krans en kralensnoer.

Hoe vaak hebt gij mij ’t zangersfeest verweten
Komaan, ‘k verkoop u aan een heerenboer
Die met twee gouden hammen heeft ontbeten!

Ontucht’ge padden spieden door de reten
Naar de geliefde van een troubadour
De dikste kloostermuren zijn bezeten!

Simon Vestdijk (1898-1971)

uit: Gestelsche liederen (1949)

zaterdag 14 oktober 2017

Zaterdag
14
oktober

De paarse tuinbroek


't Was in café 'De Paarse Tuinbroek',
waar ik sedert jaar en dag
mijn geluk en fortuin zoek
dat ik jou het eerste zag.

Je droeg zo'n speldje met zo'n rondje
en zo'n kruisje onderaan,
maar wat jij ook droeg, het stond je
zoals alles je zou staan.

Alleen die tuinbroek - maar dat is te
accepteren als je weet
dat een echte feministe
niet graag lékker is gekleed.

Ach na die eerste zoen leek alles
rozegeur en maneschijn,
maar het droevige geval is
dat het niet heeft mogen zijn.

Want waar de liefde aan kapot ging,
Maanden na die eerste zoen,
was dat jij dat paarse rotding
nooit eens van je kont wou doen.


Jean Pierre Rawie
(uit Oude gedichten, 1987)

zondag 8 oktober 2017

Zondag
8
oktober

Déjà vu

Alva de bloedhertog!
Hier is zijn evenbeeld
Kijk hoe Rajoy als
Een godsgesel woedt

Zo onderdrukt hij een
Separatistenwens
Net als de Landvoogd
Met wapens en bloed!


Hanna Pest


maandag 18 september 2017

Maandag
18
september

 God met ons

In diepten verzonken van leed en ellende,
het hart in bedwelmde droomen verward,
door prikkels van onrust, wier bron ik niet kende,
gedreven, gefolterd tot eindelooze smart,
heeft de aarde my lang in mijn dorheid gedragen,
in morrende wanhoop aan wereld en lot:
een knagend verlangen verteerde mijn dagen,
een woede van honger naar zielengenot!
Ik zocht het, ik riep wat dit hart zich verbeeldde,
in alles wat de aarde verlokkendst belooft;
in brandende driften, in bruischende weelde,
in Ridderverdienste, die ’t maagdenhart rooft,
in palmen, gewassen voor wereldbedwingeren,
in zangen, bewonderd door ’t luisterend gewelf …
Maar ’t schaduwbeeld vluchtte voor d’indruk der vingeren;
’t was ijdelheid, ijdler dan de ijdelheid-zelf!


Isaäc da Costa (1798-1860)

zondag 17 september 2017

Zondag
17
september

Klinkdicht.
Zonder de Letter R.
Lieve Liefde, die de zinnen
Met geneugten mild’lijk voed;
Die ons neigt en noopt tot minnen,
En in wellust blaaken doet!
Wijst mij, wat ik moet beginnen,
Om den Wensch van mijn gemoed,
Om Elize’s gunst te winnen,
Die slechts lacht om mijnen gloed?
‘k Heb, om tot mijn’ wensch te koomen,
Chloë’s hulp te baat genoomen;
Lize en zij zijn eensgezint.
‘Wilt dan ’t laatste middel waagen,’
(Zegt de Liefde,) ‘dit zal slaagen:
Veins slegts, dat gij Chloë mint.’


uit: Galante dichtluimen (1780)
Hendrik Riemsnijder (1743-1825)
Willem Bilderdijk (1756-1831)

zaterdag 16 september 2017

Zaterdag
16
september

Twaalf grafgedichten voor Kira van Kasteel


Twaalfde grafgedicht

Sterfelijk nooit, sterfloos en onbederflijk

uit bloembodem mondopen ademend myrrhe
door poriën doomend en kroon-
en kelkblad ontplooiend om helmknop en stempel
heliotroop met zalig nectarium
rustte ’t ontrolde rad der roos

Vol met duisteren alsem geloopen
de harten wijd om warmte ontploken
storten in ’t perk de rozen in’t ronde
hun chintzen shawlen hun crêpe de chines

Om metamorphosen
geboren begeeren
te blozen zij bloeien en bloesems vermeeren
balsemen blaken altoos o altoos

Plantaardig langzaam slapend lag
in ’t landschap zij en zuchtte op
dien voedsterboezem zonnedauw
de huid inzuigend vouw na vouw
zoo onontwaakt den zomer door
den bloedstroom toevertrouwd
tot onverzaad
’t verkreukt ontkleuren
ontfronsend turgor lost en frommelt ’t mooi gelaat

In ’t duizendvoudig bad van lucht en loover
baadt de vlucht vlinders vogels wolkenwit
Alles vliegt vedert vonkt
alles smelt en smacht dit
milde epiderm
dit strak en zachte spansel boven
chromatoforen en sudoriferen
klepjes papillen
tastdraadjes worteltjes mondjes willen
gaaf isotherm
leven doch sterven

Vanuit de naaf
het glinsterend zilver wiel der waterlelie spreidt
doorbroken de eierschaal
sepalen en petalen rondom goud
de kelk
waaruit wij drinken gij ik elk
den dronk de laatste maal
den laatsten volsten modder-, pollen-, honingdronk.


Christine D’haen (1923-2009)


vrijdag 15 september 2017

Vrijdag
15
september

Twaalf grafgedichten voor Kira van Kasteel


Elfde grafgedicht
HET PROPEMPTIKON

Vrees greep u zeker aan, lieve vriendin, toen gij zo plots alleen,
beroofd van ’t heerlijk Amsterdamsche huis en ’t Zeelandsch vaderland,
uw warmen man, Katja en Koen, uw kinderen,
uw weefgetouw, uw zeilboot en uzelf,

-de menschen ademen midden het licht, met menschen, koffie en woorden,-
toen gij zo plots alleen, zonder uzelve waart.

Was ’t Hermes die, in Grieksche grot gebaard,
heldere heraut der ondergrondsche vorsten en wegenwachter,
met machtigen herdersstaf en vleugelslag verscheen,
door wervelwind u rukte bij de hand?

Wandelde op ’t hemelsch landelijk gewelf
met pelgrimsstok en hoed Jacobus, die u hoorde,
drenkte u zijn kalebas uit zijn geribde schelp?
Gaven zij u geleide, die zware en zachte
reizigers naar Rome en naar Jerusalem?

Roeide gigantisch Christophorus u ter hulp
en torste u in den storm tegen de onaardsche vlagen;
zaagt gij hem
die alle wegen kent; iederen berg en dal in Medië, Raphaël,
Tobias aan den Tigris tot gezel?

Onaangeraakt door heilige zalven, onbeklaagd
door klaagvrouwen en schreiers lag uw lijk;
de wankele brug, Činvat, naar ’t gruwelijk Rijk
moest u, wierook en oliën dervend, spreuken en kreten, dragen.

Wacht gij, ontvleeschde geest, de pramende bazuinen,
op ’t barsten aller marmeren graven praal,
op ’t weer
vereenen  met uw beenderen, bloed en ademhaal,
op dezer wereld wederkeer
uit puinen?


Christine D’haen (1923-2009)

donderdag 14 september 2017

Donderdag
14
september

Twaalf grafgedichten voor Kira van Kasteel


Tiende grafgedicht
O ESCA VIATORUM

usque im diem illum, cum illud bibam novum in regno Dei (Mc. 14:25)

Zijt gij, na ’t opgebaard zijn , de uitvaart en der rouwers staatsiestoet,
de obole onder de tong, bij d’onderaardschen stroom,
een bleeke, bevende geest, kermend om Charons bark;
of woont gij in, gegraven onder grond, uw grafzerk,
temidden huisraad, drinkend wijn als bloed
met drogen mond, den honig, melk en olie gestort in overvloed,
en wandelt in het lauwer- en olijvenpark van boom tot boom.

Dwaalt gij, Romeinsche Mane, Cornelia, tusschen de vage vlucht
van schaduwen, gejaagd met droeven wind, door lucht,
door stormige wolken en vuur tot aan de heilige sfeer
die gij bezeilt in’t zuiver schip van Luna teer;
of ligt gij aan den disch en proeft de vrucht,
plengt den gerijpten wijn onder uw kroon van myrten, in de weide,
vriendin van ’t Elyseesche gastmaal blijde goden zelf terzijde.

Zoo zat, toen ’t warm was, onder de’eik van Mambre, aartsvader Abraham
bij de intree zijner tent, en at den koek van koren,
het kalf der kudde met gestremde kaas en melk.
Drie glinsterende gevlekte gasten gaf hij elk
spijzen en drank, Bijbelsche Philemom;
de tafel mild gedekt, gekruid met munt, tortste in aarden kom
kornoeljes en olijven, eieren, radijzen, toen Baucis werd verkoren.

De tafel was gedekt met latuw, verschen zuivel, wijn daarbij,
na ’t vleesch vijgen en noten, droge dadels, druiven,
appelen en pruimen en de blanke honingraten.
“Goden toch zijn wij! Vreemden, maar genooden zaten
met u aan ’t feest! Weest eeuwig!” spraken zij
die eerst vermomd als menschen in hun mantel kwamen, in die pij
met twee bejaarde menschen bij den haard niet schroomden aan te schuiven.

Eeuwig, eeuwig gaat gij, Ganymedes, bij de goden; giet
hun toch, daar ze anders stierven, nectar in de schalen
en moogt uzelf en Hebe met hun droesem voeden.
In Westelijke hoven Hesperiden hoeden
het gouden ooft, en is ’t in Eden niet
dat deze eenige boom met onbederfbaar fruit zijn wortels schiet,
waarvan de Cherubs ons verwijderen met hun onontaarde stralen.

Gegord, gegespt de Israëlieten in Egypte ’t nachtlijk lam
eten met ongedeesemd brood en bitter kruid,
den stok ter hand en haastig vóór het heimelijk reizen;
wachtels en dan het manna regenen in woestijnen,
luttel en broos als rijp gedauwd op zand,
een korianderkorrel leek het met den smaak van zeem, en blank.
’t  Water van Mara maakt Hij zoet, de dorre rots van Horeb spruit.

Bedwelmend dronkenmakend water van den Helicon, en dronk
waardoor Bacchanten Bacchus eerend tamboerijnen
smijten, lammeren en panters rijten in hun roes,
Orpheus verscheuren in het Bosch en Pentheus,
naakt zoals vader Noah duizelend zonk,
toen hij de wijnpers had getreden druiven kneuzend in de ton
en tusschen trossen sliep: drinkt gij, o doode, dit in uw festijnen?

Drinkt gij, Bourgondisch en Toscaansch, dien wijn, etend daarbij het wild
verstrengeld in de strikken van de hemeljacht
tusschen de sterrestruiken, herten, hazen
of vogels daar gevlucht; of drinkt gij bij de kazen
van ’t zachte hemelsch hoornvee, blank gekild
den Rijnschen wijn? Eer gij met honger, drinkt met dorst nog ongestild,
smaakt zout en prikkelend peperzaad, wrang, zuur en zoet met aardsche kracht?

Gij die, zwaar van uw zwangerschap, (ik zag ’t door ’t raam daar hoog) in doom
’t borrelend en sissend maal bereidde voor de mannen
(broeders rondom de tafel, elk van ’t werk, met lach
en gretig vork en borden roerend) iederen dag
onder het licht der lamp; den kinderen vroom
het kindermaal; de aardappelen dampten toen, de pap vulde ieder loom;
gij die ons voedde, voedt men u? Wordt daar het net gespannen

voor dezen menigvuldigen, machtigen en mysteriënvollen Visch?
Die hier den beker van Dionysos, het koren
geschonken door Demeter en Korè verteerden,
die Mithra’s stieren slachtten en hun bloed begeerden,
zij zullen eten aan den eeuwigen disch,
de Orphische mysten, van de Phrygische Kybele ook en van Osiris.
Waar Hij, temidden Twaalf, vorstelijk wachtend is,
werd gij, te arm op aarde, daar tot dat triclinium verkoren?


Christine D’haen (1923-2009)