zondag 11 mei 2014

Zondag

11
mei


‘k Leerde, de dagen zijn wat wij ze maken;
Zij komen tot ons, ongevormde klei;
Zij komen als wolken hoog boven daken
Aandrijvend en gaan als wolken voorbij.

Hier, neem “Vandaag” in uw kloppende handen
Armzalig is hij, leelijk, vaal en grauw;
Beitel voorzichtig aan zijn stompe randen,

Meng door zijn vaalte een druppel hemelsblauw.




De eerste strofe van dit gedicht vond ik boven aan een rouwadvertentie. Via een oproep op Facebook kwam ik via Niels Blomberg aan de tweede strofe en de mededeling, dat het totale gedicht een sonnet is.
Maar dat was niet helemaal juist. Beide strofen maken deel uit van "de Voorzang", een 25 coupletten tellend gedicht als inleiding op de bundel "Vernieuwingen" uit 1929, die verder overigens uitsluitend uit sonnetten bestaat. Het gedicht stamt uit de tijd dat Roland Holst haar Socialisme inruilde voor een sociaal Christendom.

Mijn idee is dat het gedicht, na een sprankelend begin langzaamaan inzakt: het is veel te lang. Toch wil ik het jullie niet onthouden. Oordeel zelf.

Wat ik wel grappig vind is, dat zowel Niels Blomberg, die echt wel iets van poëzie af weet, als ik, zonder meer dachten, dat bovenstaande twee kwatrijnen deel uitmaken van een sonnet, terwijl ze in het gedicht waartoe ze behoren niet eens als coupletten na elkaar komen. Zo moeilijk blijkt poëzie dus te zijn, of nemen wij poëzie niet serieus...?

Henriëtte Roland Holst (1869-1952)


Voorzang



Zij zeggen, dat de kans op bevrijding verloren
is, onherroepelijk voor dit geslacht;
en dat het avond is en dat het nacht
moet worden eer de nieuwe dag kan gloren.

Zij zeggen, “nu de voorhoede verslage’ en
uiteengedreve’ is door makkers verraad,
valt er niets te doen dan door grauwe dagen
de vonk hoeden, tot weer het vuur opslaat”,

“niets dan den wil hoeden in ’t hart en maken
dat hij bereid blijft, als een strijdbaar held,
tot het zich opricht op den dag der wrake,
en haat met haat, en kwaad met kwaad vergeldt.”

Zij zeggen ’t wit van hartstocht; zij herhalen
’t op onverbiddelijk ijsharden toon, -
maar ik weet dat zij die zoo spreken dwalen:
mijn hart verliet hen en zocht andre woon.

Laat heb ik ’t begrepen – niet te laat
Goddank: er zijn nog onverbruikte krachten
in ’t hart; uit diepten stijgen nog gedachten
omhoog, zij het dan in langzamer maat.

‘k Leerde, de dagen zijn wat wij ze maken;
zij komen tot ons, ongevormde klei;
zij komen als wolken hoog boven daken
aandrijvend en gaan als wolken voorbij.

Maar niet eer ze door ons hebben gekregen
- door onzen geest, door onzen wil, door onze hand –
hun vorm, niet eer wij hun zielen beschreven
met gouden spreuke’of taal-uit-kinderland.

O makkers, wij behoeven niet te wachten,
om te griffe’in der dagen maagdlijk lijf,
des harten droom, ’t vizioen der Heilsgedachte;
tot aan den dag van’ t heroïsch bedrijf.

Hier, neemt “Vandaag” in uw kloppende handen:
armzalig is hij, leelijk, vaal en grauw;
beitelt voorzichtig aan zijn stompe randen,
mengt door zijn vaalte een druppel hemelsblauw.

Giet door zijn lippe’ een teug van uw verlangen
naar méér broederlijke gerechtigheid;
blaast koesterend over zijn vale wangen
uw adem van liefde en zekerheid.

Ziet, uit verten kwam hij aangedreven
en scheen een klompje doffe grauwe pijn; -
en nu ziet in zijn oogen schuchter beven
de voorglans van vreugden die zullen zijn.

Eén dag, een zandkorrel oneindigheid…
Eén mensch, met zijn wil, zijn eerlijke handen…
iets groens ontkiemt aan deze dorre landen,
er breekt licht door des levens donkerheid!

“Morgen” dreef aan en werd aandrijvend “Heden”,
bood zich des vormers hand gewillig aan, -
kwam schooner, glanziger daaruit gegleden
dan “Gistren” was… Wanneer we dit verstaan,

dat elk morge’ op zijn vleugels heeft geschreven
iets schoons, als wij gistren goed zijn geweest, -
dat elke arbeid aan ‘t kleine stukje leven
feestlijker maakt het komen levensfeest, -

o makkers, wanneer dit geloof geworden
ons leven is, niet enkel onze vlag, -
dan peinst geen onzer meer, hoe de nieuwe orde
zal komen, als vrucht van den “grooten dag”; -

maar élke dag staat vóór hem, in het teeken
van groot gebeuren en élken dag groet
hij, als wie leerde in d’oude woorden spreken
van ’t geloog, het “Gods Moeder” doet.

Elken aanvarenden ontvangt hij, moedig
en toch ootmoedig, schuchter en toch blij:
“Wees gegroet, kind der eeuwigheden, spoedig
zélf eeuwigheid, zoals óók wij”.

“Ave, moeder van komende geslachten,
schooner dan deze zijn, óók door zijn daad”;
vertrouwend stort hij zijn levende krachte’ in
den wordende die verder gaat.

En met hem heffen Andre blijgezinden
samen den sterken lofzang aan;
de dagen drijven aan, de welbeminden,
boven hen rumoeren de groote winde’en
vertouwend wordt aan elken ’t werk gedaan.

Ik zing den goeden wil, die zegeviert
over het krampachtig felle streven
der zelfzucht; den zuiv’ren, die door de dreven
des levens als een witte vlinder zwiert.

“Zij zijn hard”, - “Zoo laat ons barmhartig wezen,
opdat hun hardheid moge allengs vergaan”…
“En hoogmoedig”, - “Zoo laat deemoed staan
in ons oog en op ons voorhoofd te lezen”…

“Zij zijn het gewend, levens te breke’ als
dor hout, in razende begeerlijkheid”…
“Zoo laat ons zorgvuldig de levens kweeken,
die ’t leven opwaarts dragen door den tijd.

Van vele willingen om strijd bevlogen,
beurtlings gebeukt door tegenstrijd’ge winden, -
strevend altijd den goeden koers te vinden,
vertrouwend altijd, en altijd bedrogen

in het vertrouwen dat hij was gevonden,
en dan weer zwenkend op Gods wijde wat’ren, -
hoe zal dit hart voortleven voor de lat’ren,
dat werd om te zoeken op aard gezonden?

Hoe zullen alle harten, die graag waren
Opgenomen door een grooten wind,
Die er niet was, verschijne’ in lat’re jaren,
Wanneer het tij vol is, dat nu begint?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen