zaterdag 2 maart 2019


zaterdag
2
maart


Varium et mutabile

Het laatste zonlicht doofde.
De laatste bloem ging toe.
Ik legde mij te slapen,
Van 's levens grillen moe.

Toen streek er in het duister
Een windvlaag langs mijn wang.
Ik schrok. Uit ijle verten
Klonk vloeiend psalmgezang,

En midden in de kamer
Stond plotseling een vrouw
In stralend witte kleren.
‘O,’ riep zij, ‘toon berouw!

Uw lichaam is bedorven
Uw hart van zonden rood.
O mens, verlaat uw dwaalweg,
Uw ziel verkeert in nood!’

Ik wierp de lakens van mij,
Omvatte haar kordaat,
En drukte zonder schromen
Een kus op haar gelaat.

‘Mevrouwtje,’ riep ik stralend,
‘Het is gelijk u zegt:
Ik ben van kruin tot voeten
Boosaardig, vals en slecht.

Maar nu een ander hoofdstuk:
U bent verblindend schoon.
Uw ogen zijn als duiven,
Uw haren als een kroon,

En wat betreft uw lichaam:
Het geurt naar marjolein.
Mag ik u dringend vragen
Mijn vrouw te willen zijn?’

Zij heeft besmuikt gelachen,
En glunderend bekend:
‘Ik zoek al heel mijn leven
Zo'n leuke beursstudent.’

Toen dronken wij Chartreuse,
En aten brood met ei,
En bleven altijd samen,
En waren altijd blij.

Simon Knepper

Geen opmerkingen:

Een reactie posten