donderdag 3 januari 2013


Donderdag
3
Januari

Aan Klorimene

Toen ik u lestmaal, by de lelien en rozen;
Zo helder pronken zag, en met zo purpren bloos,
Zo dacht my, dat uit spyt de roos verbleekte in 't bloozen,
En dat met een uit schaemt' de lelie wierd een roos.

Zo doet uw schoone verf de roos en lelie duiken,
En maakt dat in uw hof, uit hartzeer en verdriet,
De bloemen altemaal verdorren op hun struiken,
Omdat men schoonder bloem op uwe kaken ziet.

woensdag 2 januari 2013


Woensdag
2
Januari

Bruin boven blond

Ruilt nooit uw verf, bevallige Bruinetten,
Voor blanke kleur of blonde kuif.
De roos verbleekt voor bruine violetten,
De witte wijkt de purpren druif.
De bloesemknop, zo teêr, zo ligt verstooven,
Zwigt voor de rijper kers in geur.
De staatige eik, hoe bruin van verw, praalt boven
De taaije wilgen, wit van kleur.
Al wat natuur poogt kragten bij te zetten,
Huldt ze altoos met een bruine huif.
Ruilt nooit uw verf, bevallige Bruinetten,
Voor blanke kleur of blonde kuif.

Elisabeth Koolaart-Hoofman (1664-1736)



Blond boven Bruin

Tegenstuk van Jufvrouw Koollaart's Bruin boven blond
Ruilt nooit uw zachte kleur, bekorelijke Blonden!
Voor verw of bruine kuif;
De lof der bleeke roos klinkt toch uit duizend monden,
En zoet is 't blinkend sap der muskadelledruif;
De zachte perzik is het sieraad van de hoven,
Zij wint het van de kers in geur;
De lommerrijke linde, in blonden tooi, praalt boven
Den hagedoren, bruin van kleur.
Natuur hult all' wat schoon, beminlijk wordt gevonden,
Steeds met een zachte en blonde huif. -
Ruilt nooit uw blanke kleur, bekorelijke Blonden!
Voor hande verw of bruine kuif..
H.A. Spandaw (1777-1855)

dinsdag 1 januari 2013


Dinsdag
1
Januari

Nieuwjaars-Lied



Rhi


Uren, dagen, maanden, jaren,
Vliegen als een schaduw heen.
Ach! wij vinden, waar wij staren,
Niets bestendigs hier beneên!
Op de weg, die wij betreden,
Staat geen voetstap, die beklijft:
Al het heden wordt verleden,
Schoon 't ons toegerekend blijft!

Voorgeslachten kwijnden henen,
En wij bloeien op hun graf;
Ras zal 't nakroost ons bewenen.
't Mensdom valt als blaadren af.
't Stof, door eeuwen saamgelezen,
Houdt hetzelfde graf bewaard.
Buiten U, o eeuwig Wezen!
Ach! wat was de mens op aard'!

Maar door U aan 't niet onttogen,
Liet uw gunst hem niet alleen.
Godlijk Licht omscheen zijne ogen,
En zijn nietigheid verdween.
Onder uw genadeleiding
Wordt hem deze levensbaan
Slechts ontwikkeling, voorbereiding
Tot een eindeloos bestaan.

Dat de tijd hier 't al verover',
Aan geen tijdperk hangt mijn lot.
Gij, Gij blijft mij altijd over,
Gij blijft eindeloos mijn God.
Wel een ramp mij hier ook nader,
'k Vind in U mijn rustpunt weer.
Gij blijft in uw' Zoon mijn Vader,
Wat verander', wat verkeer'.

Vader, onder al mijn noden,
Vader, onder heil en straf,
Vader, ook in 't rijk der doden,
Vader, ook in 't zwijgend graf.
Waar ik ooit verandring schouwe,
Gij, o God, houdt eeuwig stand.
Ook op mijn stof rust op uw trouwe,
Sluimert in uw vaderhand!


Snel dan, jaren, snel vrij henen
Met uw blijdschap en verdriet.
Welk een ramp ik moog bewenen,
God, mijn God, verandert niet.
Blijft mij alles hier begeven;
Voortgeleid door zijne hand,
Schouw ik uit dit nietig leven
In mijn eeuwig Vaderland.

Rhijnvis Feith (1733-1824)
Proeve van eenige gezangen (1805)




maandag 31 december 2012


Maandag
31
December

Er zijn er
Die rotsvast
In kabouters geloven.

Moet kunnen,
Vind ik.
Als god mag,
Dan kabouters ook

Wat is god
Trouwens anders
Dan een grote kabouter?

Men moet geloven
Wat men niet laten kan.

Voor mijn part
Aan god en kabouters tegelijk.
Als ik maar niet hoef,
Als ze mij maar met rust laten.

Jules Deelder
Boekenweek 1997

zondag 30 december 2012


Zondag
30
December

Geloof me toch, als ik van hier
Verdwijn, maakt het niets uit.
Straks bloeit weer de jasmijn en
Geurt de kamperfoelie.
Erger zou het wezen,
Als zij verdwenen waren,
En ik er nog zou zijn.

Hugo Pos (1913-2000)

zaterdag 29 december 2012


Zaterdag
29
December

De Afwasmachine

Aan mijn bestek
Adieu messen en vorken, ik was jullie nooit meer af.
Het is uit tussen ons. Geen toegewijd leuteren meer
tussen zachte doeken, ik stop jullie als lastige kindertjes
in een crèche, ik ben blij dat ik jullie heb,
o, ik zou jullie niet willen missen! maar nooit
meer zullen jullie als bekenden door mijn handen gaan.
Handenbindertjes! voortaan zijn jullie vaat.
Hoor eens, we moeten redelijk zijn, het gaat niet aan
die conversatie na het ontbijt, hoe was de pap,
maakte het ei erg vlekkerig, is er niet al te hard op gebeten 
en was de rabarber verfrissend?

En het douwderideine lepeltje mijn deukje mijn
klein fijn mongooltje, moet jij ook door de molen?

O grote opscheplepel worden je kinderen nu voortaan
zonder aanzien des persoons door het water geslagen?

We moeten niet kinderachtig zijn. Warme sopjes
hebben hun tijd gehad. De wereld eist ons op
voor gewichtiger zaken. Mijn persoonlijkheid
bijvoorbeeld, moet nog ontplooid. Dat
kan natuurlijk niet met jullie, of met de kopjes.

Judith Herzberg

vrijdag 28 december 2012


Vrijdag
28
December

Onder de Brandaris

Dit is het huis genaamd de duizend vrezen.
Hij die er slapen wil hij zal er waken.
Een oppermachtig licht slaat er zijn kruisen.
Met interval van donkere seconden
waarin de branding zwaarder schijnt te ruisen
verschijnt een mene tekel op het laken:
En wat geweest is, het wordt zwart bevonden.
Ik was hier 's nachts, ik was in duizend vrezen,
vrezen des doods, waarvan ik niet kan spreken,
in een gericht van licht alleen gelaten.
En aan de dageraadstrand alleen gebleven,
met licht getekend en genoemd met name,
van onuitwisbaar licht het zegel dragend.
Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven,
hij doopt met licht. Ik waag het hem te vrezen.

Ida Gerhardt