zondag
11
Januari
Week van de
vertalingen
Job 38: God stelt vragen aan Job
En God sprak tot Job uit een
nevel en storm:
“Wat twijfel je nu aan mijn
wijsheid en kennis
Je weet niet veel, maakt er
enorme stennis.
Je zegt wel een hoop, maar
weet, ik stel de norm!”
Ik stel je nu vragen,
misschien voor de vorm.
Toch, geef maar eens antwoord,
jij die zoveel weet.
Misschien ben je toch met wat
wijsheid bekleed”,
Zo sprak God tot Job in de
storm.
Waar was je, Job, toen ik de
aarde boetseerde?
Wie legde de fundamentsteen
der planeet?
Elk kind weet toch goed wie
het was die dat deed,
‘t Was ik die de aard’ in de
oertijd creëerde,
’t Was ik die de plaats van de
zeeën traceerde.
Ik zei: tot de rand van de
kust mag je komen;
Je golven met schuim mogen
verder niet stromen.
Ik was ’t die die zaak van ’t
begin controleerde.
Het jij het ooit licht laten
worden, o Job?
Heb jij de dag ooit wel eens
laten beginnen?
Kwam jij op een dag bij de
zeebron ooit binnen?
Was jij op des werelds top?
Het land van de Dood, zocht
jij dat hogerop?
En waar komt des avonds het
duister vandaan?
Zorg jij elke nacht voor het
licht van de maan?
Je weet toch zoveel, beste
Job!
En Job, kan een mens alle
sterren placeren?
Weet jij hoe seizoenen
ontstaan?
Of weet jij misschien waar de
wolken heen gaan
En kun jij de hagel en regen
bezweren?
Zorg jij dat de leeuwen
leeuwinnen begeren
En voor hun jong loeren op
levende prooi?
Geef jij alle vogels hun bont’
verentooi,
Zorg jij dat ze niet van de
honger creperen?
Frans
Woortmeijer