donderdag 15 maart 2018


Donderdag
15
maart

Heb mij lief, gelijk ik ben

Ik zou tot al mijn vrienden willen gaan
- Ook wel tot hen, die niet mijn vrienden zijn -
En vragen: Heb mij lief, gelijk ik ben
En stel aan mij geen eischen.  Zie, ik kan
Niet onderhoudend praten, niet gevat
Of geestig zijn, en niet vertrouwelijk
Vertellen van mij zelf of van mijn ziel....
Wat zouden we ons vermoeien voor elkaar?

Laat mij maar zwijgend naast u zitten, stil
Verdiept in eigen werk, eigen gedachten.
Of - als gij praten wilt - spreekt gij tot mij.
Ik zal wel luistren, als gij vriendelijk
Met lichten kout mij onderhouden wilt,
Wel lachen om de grappen, die ge zegt,
Wel ernstig kijken als ge hoog, of diep,
Of ijdel praat van al te diepe dingen....

Maar, als ik dan zoo zwijgend zit, en luister
Naar uw gesprek - of naar het klokgetik -
Of 'k laat de stilte ruischen om ons heen,
- Die ruischt zo prettig, als de menschen zwijgen -
Als 'k mij dan blij in uw nabijheid voel,
Dan zou ik willen vragen, en de stilte
- Of na ons gesprek - verbreken met mijn vraag:
"Zeg, zijt ge ook blij, dat ik naast u zit?"
Spraakt ge dan "Ja", dan zei ik zacht: "Ik ook" ...

En dat was alles, wat ik weten wou
En al, wat gij van mij behoeft te weten.

Jacqueline van der Waals (1868-1922)
uit: Nieuwe Verzen



woensdag 14 maart 2018


Woensdag
14
maart

25 november 1898

De deur ging langzaam open; ik rook een kerkhofgeur.
Ik staarde stil in de zwarte leegte der open deur.
Een lange grauwe gestalte, bovennatuurlijk groot,
Stond zwijgend op de drempel en wachtte, het was de dood.
Met blauwe glans verlichtten de oogen het bleke gelaat
Met flauw en weifelend schijnsel, als hout dat langzaam vergaat.

`Wat blijft gij daar en op de drempel stil en dreigend staan?
Ik heb U daareven geroepen; kom binnen en raak mij aan.
Uw witte koele handen bezitten wondermacht
Reeds hebben ze menige lijder rust en genezing gebracht.
Leg zachtjes Uw hand op mijn voorhoofd, dat pijnlijk klopt en gloeit
En eindig de droom des levens, die mij benauwt en vermoeit'.

Een lange stilte volgde.  Ik staarde naar het licht,
Dat flauwer werd en flauwer...  De deur ging langzaam dicht.

Jacqueline van der Waals (1868-1922)
Uit: ongebundelde verzen



dinsdag 13 maart 2018


Dinsdag
13
maart

Aarde

Vol afschuw kijk ik naar den grond,
Die vochtig is en vuil.
Daar kruipen de lange wormen rond,
De lange weeke wormen rond.
En houden de maden zich schuil;
En alles wat onder de grond wordt bewaard,
Beschimmelt en verrot.
Een duffe kelderlucht, o mijn God!
Vervult de geheele aard.

Ook bergen de menschen in haar schoot,
O gruwel en ergernis!
Het menschenlichaam na den dood,
Het menschenlichaam, wanneer het dood
En vuil en afzichtelijk is;
En alles, wat onder den grond wordt bewaard,
Ontbindt zich en verrot.
Een vunze kerkhoflicht, o, mijn God!
Vervult de geheele aard.



Jacqueline v.d. Waals (1868-1922)
uit: Verzen



maandag 12 maart 2018


Maandag
12
maart

Het dankbare kind bij vaders herstelling

Konde ik U naar waarde danken,
Eeuwig weldoend Opperheer!
Vader gaaft Gij aan ons weêr,
Redder van bedroefde en kranken,
Gij ontrukt in bangen nood
Dierbre lijders aan den dood.

Ach! toen angst ons 't hart doorwondde,
Toen geen hoop, geen uitkomst scheen,
Stonden wij om vader heen
Aan de schijnbaar veege sponde;
Maar uw' zegen paardet Gij
Toen aan heilzame artsenij.

God! Gij hoorde 't smartvol kermen,
Vaders lijden werd verzacht,
Ja zijn reeds bezweken kracht
Zagen wij door U beschermen,
En herstellings dageraad
Bloosde op vaders bleek gelaat.

Zijn gezondheid keerde weder;
Heel ons dankbaar huisgezin
Roemt uw trouw, uw menschenmin,
Moeders hart, zoo trouw, zoo teeder,
Klopt weêr, vrij van rouw en smart,
Aan haar echtvriends dankend hart.

Blijde broêrtjes! Lieve zusjes!
Allen groeten wij, vol vreugd,
Nu den leidsman onzer jeugd
In ons midden weêr met kusjes;
Allen roemen wij ons lot:
Vader leeft! U dank ik, God!



Petronella Moens (1762-1843)
uit: 
Gebeden voor kinderen (1833)



zaterdag 10 maart 2018


Zaterdag
10
maart

Boekenweek

De vrienden van het goede boek
Tref ik nu aan in stille hoek,
In leeszaal of in bibliotheek,
Want ja, het is weer Boekenweek!

Geen tijd voor and’re dingen nu,
Geen boerenkool met uitjes-jus.
En in de kerk geen enk’le leek,
Want zie, het is weer Boekenweek!

Je lekke band blijft even stuk,
Geen films nu van Donald Duck.
’t Is stil in Huizen, Doorn en Sneek,
Want kijk, het is weer Boekenweek!

Frans Woortmeijer
uit: Een nieuw geluid (2010)



woensdag 7 maart 2018


Woensdag
7
maart


Lot

Ooit bonsde vol onstuitbaarheid
Zijn jongenshart voor haar
Nu ziet hij echter tot zijn spijt
Een forse zoutpilaar

Otto van Gelder
Lotje

Ooit bonsde vol onstuitbaarheid
Dat meisjeshart van haar
Nu ziet zij echter tot haar spijt
Een slappe zemelaar

Helder

Nooit bonsde vol onstuitbaarheid
Haar meisjeshart voor hem
Nu zegt zij hem dat zonder spijt
Gewoon ad hominem



Inge Boulonois

Hij volgde blind de luim van God
Want Die vond omzien fout
Voor deze hondentrouw kreeg Lot
Zijn liefste weer als zuil van zout


Frits Criens

dinsdag 6 maart 2018


Dinsdag
6
maart

Vroege Voorjaarsavond

Het ongelezen boek viel naast hem neder;
Hij streek langs de ogen met een vage hand,
En keek naar buiten: 't eerste lenteweder
Betoverde het schemerende land.

Er was een waas van het aanvanklijk lover
Om het afzonderlijke, zwarte hout,
En iets als zoelte zweemde de avond over,
Maar waar de wind zijn vleugel sloeg was 't koud.

De lenten gingen en de lenten komen;
De wereld is een onverganklijk oord,
Waaraan de harten, eenmaal opgenomen,
Niet meer ontwijken dan door de éne poort.

Waarom dan zich in dromen te vergeten?
Laat het boek ongelezen. Wie, die 't deert?
Er is maar één ding, dat wij zeker weten:
Dat eens de lente ons nimmer wederkeert.

J.C.Bloem (1887-1966)