donderdag 29 maart 2018


Donderdag
29
maart


De afwijzing

Ik schrijf u met de ravenveer,
Mijnheer.
Mijn eer en uw eer
uw hart mijn hart
heeft niets gemeen.
Ik schrijf u met de ravenveer.
Ik schrijf u met het ravenzwart
het teken: neen.
Ida Gerhardt (1905-1997)
uit : De Ravenveer (1970)


woensdag 28 maart 2018


Woensdag
28
maart


Stem van de Herfstregen

Wees niet bevreesd wanneer de vlagen gaan 
rondom uw huis-het is uw aards verblijf. 
Wees niet bevreesd als ziekte u komt slaan- 
uw lichaam was altijd een aards verblijf. 
Zonder bekommernis laat u ontgaan 
roem, eer en staat; zij zijn een aards bedrijf. 
Maar wees bevreesd wanneer de tranen gaan, 
de bevende, om wat is aangedaan 
door u. 
De liefde is uw eeuwige verblijf.

Ida Gerhardt (1905-1997)
uit : De Slechtvalk (1966)

dinsdag 27 maart 2018


Dinsdag
27
maart


Over zwarte karresporen,
over greppels, over voren,
zweeft het witgepluisde zaad
van de nooit gerooide doren;
zweeft, gevleugeld, al mijn haat.
Eér het kiemt tussen het koren,
God, verlos mij van het kwaad!

Ida Gerhardt (1905-1997)
opdracht bij Het levend monogram,
deel 2, Daemonen (1955)

zondag 25 maart 2018


Zondag
25
maart

Psalm 22 2-9

Waarom hebt u mij verlaten?
Blijft ver weg en redt mij niet.
‘k Draag mijn lot wel heel gelaten,
Ongepeild is mijn verdriet.

‘k Roep, o God, u luistert niet.
Waarom hebt u mij verlaten?
Overdag klaag ik een lied.
’s Nachts zo moe. Zou gij mij haten?

Stut was u van alle staten,
Eer is aan ons volk geschied.
Waarom hebt u míj verlaten,
Waar u hèn het goede ried?

Worm ben ik. Geen mens geniet
Er vreugde in met mij te praten.
Noemen mij een stuk verdriet.
Waarom hebt u míj verlaten?

Frans Woortmeijer



maandag 19 maart 2018


Maandag
19
maart


Werkloosheid
Drie jaar nu al. Ik kom nog in ‘t gesticht.
Kon ik ze thuis ontslaan van mijn bestaan!
Mijn kleine zusje ziet me nauwelijks aan.
‘t Is of de meid het woord niet tot mij richt.
Ieder leeft op, als ik mijn hielen licht.
Het beste kon ik bij Van Nelle gaan.
Alleen: dan is het met m’n vak gedaan.
Voor leraar krijg ik een te oud gezicht.
Vanmorgen ben ik naar de kerk geweest.
‘God zal u, als op adelaarsvleugelen dragen.’
Maar ik heb zitten zweten als een beest.
Want steeds zag ik, toen de gemeente zong,
die werkloze, die het raam uitsprong
en, van vier hoog, te pletter is geslagen.
Rotterdam, 1933, 1934, 1935
Ida Gerhardt (1905-1997)
Uit: Sonnetten van een leraar (1951)



zaterdag 17 maart 2018


Zaterdag
17
maart

De spoortrein

Eens op een dag, toen ik de stad
Verliet en in den spoortrein zat,
En daar in stille lijdzaamheid
Geduldig wachtte tot de tijd
- Bij 't langzaam voortgaan van de klok -
Zou komen, dat mijn trein vertrok,
Geschiedde 't, dat in 't naaste spoor
Een trein rangeeren ging en voor
Mijn venster schoof.  Ik kende wel
De vreemde werking van dit spel,
Maar 't scheen mijn onbetrouwbaar oog,
Alsof mijn trein zich voortbewoog
Voorbij dien andren, vreemden trein,
Die onbeweeglijk bleef in schijn.
 
Toen ik nu al maar verder reed,
- Ik wist toch, dat ik dat niet deed -
Werd ik bedroefd, dat mijn gezicht
Mij dus bedroog in 't volle licht,
En, dat mijn inzicht niets vermocht
Tegen dit dom gezichtsbedrog.
 
En in mijn wanhoop om dien waan
Heb ik mijn oogen dichtgedaan,
Heb ik gebeden: "Trein, sta stil!"
Met al de hartstocht van mijn wil ...
Maar, wat ik smeekte, deed of dacht,
Ik heb hem niet tot staan gebracht.
 
Wie iets zoo zeker weet en vast,
Dat hij het haast met handen tast,
Het voor zijn oog gebeuren ziet,
En dan bedenkt: het is zoo niet,
Die voelt zich zeer bedroefd en moe,
Die twijfelt aan het of en hoe,
Die wanhoopt aan het al of niet
Van alle dingen, die hij ziet,
Die is op 't eind de zekerheid
Van alle zijn en niet zijn kwijt.
 
Dien morgen sprak ik op mijn reis
Tot mijne ziel op deze wijs:
"De domheid, die ik straks beging,
Was, dat ik aan een vlottend ding,
Dat zelf geen rust of vastheid had,
Der dingen rust en vastheid mat.
Dus zoek, indien gij twijfelt aan
Uw eigen vastheid of bestaan,
Te midden van wat vloeit en vlot,
Mijn ziel, uw zekerheid in God,
Het eenig, eeuwig vaste punt,

Jacqueline van der Waals (1868-1922)
Uit: Iris



vrijdag 16 maart 2018


Vrijdag
16
maart

Bloeiende hei
Nu is de heide blij getint
Met paarse bloemenkleur,
Nu is de zoete heidewind
Vol zoelen honinggeur,

Nu gonst de aarde van 't gebrom
Der bijen wijd en zijd,
Nu is de hooge lucht alom
Eén blauwe zaligheid....

Maar, als de heide 't schoonste wordt,
Dan komt de winter aan,
Want bloemenschoonheid duurt maar kort,
En vreugd is gauw gedaan.

En 'k zou mijn leven lang wel graag
Zoo loopen door de hei....
De vreugde, die ik voel vandaag,
Is haast te groot voor mij.

Jacqueline van der Waals (1868-1922)
Uit: Iris