woensdag
4
september
Dees Stadt zoo overal
beplant met Yp’en Linden,
Is hier in gadeloos, en
nergens meer te vinden.
Het groen Bosschaadje
zelf is hier voor onze deur
En schenkt ons veel
vermaak vol aangename geur.
Melchior Fokkens (ca 1660)
dinsdag
3
september
Rekenen op rijm
Zeven zoete zuurtjes zaten in een fles,
maar ééntje rolde in de goot. Nu zijn er nog maar…
Zes zoete zuurtjes. Daar kwam een heel oud wijf,
die heeft er eentje weggepikt. Toen waren er nog …
Vijf zoete zuurtjes. Toen kwam mijn nicht Marie,
die heeft er twee gekregen. Toen waren er nog …
Drie zoete zuurtjes. Toen kwam de kruidenier,
die bracht voor mij een zuurtje mee. Toen waren er weer …
Vier zoete zuurtjes, en toen kwam tante Mien,
die deed zes zuurtjes in de fles. Toen waren het er …
Tien zoete zuurtjes. Ik at ze op alleen.
Nu is het hele flesje leeg. Nou heb ik er geeneen.
Annie M.G. Schmidt (1911-1995)
vrijdag
30
augustus
De laatste taveerne
Eens, als mijn reis ten eind zal zijn,
Zal ik ter herberg komen
Waar Dood ons schenkt den laatsten wijn
Der eindeloze dromen.
En de oude waard zal mij verstaan,
En zeggen ‘laat ons tikken’,
En ik zal rustig slapen gaan:
Hij zal mijn peluw schikken.
En ’t leven, als het trekt voorbij,
Zal een vers graf bemerken,
En schrijven, in het zand, voor mij,
Dees woord voor mijne werken:
Gij die nog reist, en vurig leeft,
Hij die hier rust dronk diep van ’t leven;
Ledigt den kelk die ’t lot u geeft:
Aan wien veel leeft, wordt veel vergeven.
Firmin van Hecke (1884-1961)
zondag
25
augustus
Bij Lenins mausoleum
Lenin, nu rust ge in uw praal, gij groote mensch,
gij die geen praal gezocht hebt of verlangdet;
nu rust g’ in de valsche praal, gij waaracht’ge,
die zal diene’ om millioenen te verblinden,
hen af te houden van zelfstandig denken,
gij die de plicht van het zelfstandig denken
aan uw makkers voorhield als eerste plicht.
Nu ligt ge in de praal, die dienen zal
om millioenen te doen buigen
voor uw gezag, als waar het van een god, —
hen te doen zweren bij uw woorden
als bij de woorden van een god, —
gij die het zweren bij ieder gezag
verfoeid hebt als de bron van alle kwaad
en met woedende felheid hebt bestreden.
Henriette Roland Holst (1869-1952)
donderdag
16
augustus
Het zonnespectrum
Ik hield een prisma in de hand
En wierp een schijnsel op de wand,
Dat, schoon het zonlicht, doorgaans wit,
Uit zijnen aard geen kleur bezit,
Zo velerhande kleuren droeg,
Dat ik mijzelve, peinzend, vroeg,
Hoe toch dit klaar, doorschijnend glas,
Dat zelf volkomen kleurloos was,
Al deze kleuren scheppen kon
En halen uit het licht der zon.
Het licht, dat door dit prisma viel,
Werd mij het beeld van mijne ziel,
Die eveneens een prisma vond,
Waardoor zij hare stralen zond,
Een glas, waarmee ik heb gespeeld,
En dat haar wezen dús verdeeld
En dús gekleurd heeft en getint,
Dat zij maar nauw zichzelf hervindt
In ’t spel van deze regenboog,
Die zo veelkleurig is voor ’t oog.
Edoch, omdat het klare glas
Der kunst volkomen kleurloos was,
Vermoed ik, dat haar eigen aard
Dit kleurenspectrum heeft gebaard,
Dat steeds in ’t klaar en nuchter wit
Van mijne ziel verborgen zit.
Jacqueline van der Waals (1868-1922)
donderdag
9
augustus
ONVERVREEMDBAAR
Dit wordt ons niet ontnomen: lezen,
en ademloos het blad omslaan,
ver van de dagelijksheid vandaan.
Die lezen mogen eenzaam wezen.
Zij waren het van kind af aan.
Hen wenkt een wereld waar de groten,
de tijdelozen voortbestaan.
Tot wie wij kleinen mogen gaan,
de enigen die ons nooit verstoten.
Ida Gerhard (1905-1977)